Bv nederland

U kent vast het spelletje waarbij een kringgezelschap iemand uitkiest die een kort verhaal moet influisteren in het oor van zijn buurman. Deze fluistert het in het oor van de volgende en zo verder. Totdat het verhaal de kring rond is. Tien tegen een dat de bedenker de originele versie niet meer terugkent. Het doorgeven van de boodschap doet veel verloren gaan. Hoe meer mensen aan de tafel, hoe meer vervorming.

Als gezelschapsspel is het leuk, maar als dagelijkse werkomstandigheid is het hoogst onaangenaam. En zo werkt nu de gemiddelde architect. Hij of zij denkt met weemoed terug aan een opdrachtgever die een begrijpelijk programma van eisen verstrekte, ondersteund met een heldere visie op de betekenis van de opdracht. Tot aan de aanbesteding van het ontwerp kon de architect zijn gang gaan. Uit die vrijheid kwamen vaak mooie ontwerpen voort.
Nu is het anders. De architect zit nu niet langer met de opdrachtgever tegenover de aannemer, maar met de aannemer tegenover de opdrachtgever en de bouwmanagers. Samenwerken is onderhandelen geworden. Ideeenrijkdom is een handicap die tijd en geld kost. Daarbij komt dat die opdrachtgever nauwelijks nog als zodanig is te herkennen. Je kunt het beter omschrijven als een of andere geldstroom die zijn weg zoekt naar een of andere bouwinvestering. Daar komt nauwelijks nog een persoon met een naam aan te pas. Vaak is de opdrachtgever een institutionele belegger die zekerheid wil. Architectuur als avonturisme in steen staat bij voorbaat al op de monumentenlijst.
Het publiek, wat dat ook mag zijn, blijft intussen morren op de architect als grote boosdoener, hoe marginaal diens invloed ook is. Aan de schandpaal nagelen, die charlatan (Max Pam). Doodgeknuppeld moet hij worden (Rudy Kousbroek). Een nekschot moet-ie hebben (Stan van Houcke). En Gerrit Komrij voltrok alle overige denkbare executies. Allen dachten dat Nederland met herinvoering van de doodstraf van de ondergang zou worden gered.
De werkelijkheid verslaat elke fantasie. De architect is vrijwel doodgeknuppeld, maar niet door het publiek of een moordcommando van literatoren. Het is de grootscheepse reorganisatie van het bouwproces die ervoor zorgt dat de architect nauwelijks nog een teken van leven kan geven. Architectuur is bouwen; bouwen is investeren; investeren is om winst te maken; winst is (meestal) de vijand van architectuur. De publieke betekenis van wat ooit de moeder der kunsten heette, is zo ten dode opgeschreven. Maar gelukkig hebben we nog de overheid. Die kan toch meer doen dan de markt volgen? Daar kan toch een inspirerend voorbeeld van uitgaan? Jaarlijks heeft zij immers zo'n slordige zes miljard te besteden in de bouwsector. Van geluidscherm tot ministerie van Cultuur, het land komt af door Openbare Werken. Wanneer we daarbij nog bedenken dat al deze inspanningen worden verricht in het kader van een architectuurnota, een prachtig en zuiver beleidsvoornemen, dan zou je vermoeden dat aan de voornoemde tendensen een krachtig halt wordt toegeroepen.
Maar het tegendeel is het geval. Ook de overheid is in de ban van het marktdenken en bouwt liever met andermans geld, met alle marktwetmatigheden van dien. Haar architectuurbeleid is heel anders getoonzet dan haar bouwbeleid. Waar het een ambitieus en strijdvaardig is, daar is het andere terughoudend en steeds meer ‘markconform’. Wanneer het gaat om grote accomodaties voor justitie, belastingdiensten, politie en dergelijke, denkt men nu al aan de verkoopwaarde in 2020. Dus al die kantoren voldoen aan de imaginaire verhuurverwachtingen van de vastgoed marketeers.
En daar moet je nu in werken. Geen wonder dat diezelfde overheid liever is gaan spreken over 'klantvriendelijke’ diensten in plaats van publieke lichamen. Het probleem van de legitimatie en de representatie van de staat wordt daarmee omzeild. De overheidsinstellingen zijn diensten geworden en diensten verzamel je gemakkelijk in een 'dienstencentrum’. Een overheid die geen opdrachtgever meer wil zijn, is geen overheid maar hoogstens een Raad van Bestuur van de BV Nederland. Het is dan niet verwonderlijk dat architecten onderpresteren.