Bxl

‘De hoofdstad van België, van Vlaanderen, van Europa en van mijn voeten’, schrijft Koen Peeters. Brussel, dat volgend jaar Europa’s culturele hoofdstad is, dwingt tot wandelen. Langs boulevards en door stegen, tussen bouwputten en kantoorkolossen, heuvel op en heuvel af.
Deze Groene zingt de lof van Brussel. Want de stad broeit en bruist weer, zoals hij dat een eeuw geleden ook deed. Wandel mee met Marc Didden en Dieter Lesage, met de postbode van Mariëndaal, Herman Teirlinck en om te beginnen met de Vlaamse schrijver Koen Peeters.

BRUSSEL - De Rue du Progrès is een kletsnatte bouwput. Kantoorreuzen van zonwerend glas en blikkerend staal verdringen zich rond de verse wonde. Graafmachines braken modder en stoom. In de negentiende-eeuwse Adolph Maxlaan trillen de spiegelruiten. Verse spruiten en prei. Uit het dak van een stomerij groeit een boom. Het trottoir komt omhoog, Poolse hoeren op sloffen maken zich uit de voeten.
Brussel-Noord is een ufo die wortel schiet in een moeras vol onbekende levensvormen. Een cybermetabolische kathedraal met doorzichtige luchtbogen, voorwereldlijke graafarmen en waanzinnige hiërogliefen. Produits exotiques. Airconditioned. Nummers 1 t/m 50 rechtsaf. Ceci n'est pas une ville. Hier heb je honderd levens s je wilt. Hier zijn alle coulissen, alle props en figuranten voorhanden. Brussel ontvangt zestienduizend congressen per jaar, er zetelen vijftienhonderd internationale organisaties en 159 ambassades. Eén op de drie inwoners is in het buitenland geboren. Eén op de drie panden is niet te rubriceren, de andere twee worden afgebroken.
Het Beschrijf is gevestigd in een voor oorlogs pand met witte wanden en ‘ascenseur’ in gietijzeren letters boven de liftdeur. De stichting organiseert het zogenaamde Bloomsday-project, genoemd naar de wandeling van Joyce’ personage door Dublin. Het bestaat uit schrijverswandelingen door Walen en Vlamingen, vertelt Koen Peeters, één van de geestelijke vaders: 'Ze schrijven elk een verhaal over het stukje Brussel waar ze doorheen wandelen. De bijdragen worden gebundeld tot een roman. Het personage zal, hoe kan het ook anders, telkens veranderen. De ene keer spreekt hij over zijn vader, dan weer over zijn zus. En hij spreekt telkens andere taal. In wezen proberen we een dialoog op te zetten tussen kunstenaars. Het is een unitaristisch project volgens de cultuuropvatting van vroeger. Er doet één Marokkaanse mee, Leila Houari, zij schrijft Frans. Helaas geen Kongolezen, die hebben we nog niet gevonden. Het is al heel wat dat Vlamingen en Walen samenwerken. We delen zo weinig cultuur meer. Maar de kunstenaars zijn bezig met een inhaalmanoeuvre.’
En waar anders dan in Brussel? 'De hoofdstad van België, van Vlaanderen, van Europa en van mijn voeten’, schreef Peeters in Het is niet ernstig, mon amour (1996): 'Stad van één miljoen goedzakken, broodeters en burgemeesters zonder hersenen. Stad van Serafijn Lampion die een rally houdt op je gazon. Stad van marchands, amateurs, arrangeurs, stad van de grinnikende burgers die niet houden van groot vertoon. De autochtonen zijn dapper noch oorlogszuchtig. Zij juichen hun bezetters warmbloedig toe en bedriegen hen vervolgens. Ici, on n'est pas sérieux. Daags voor de verkiezingen beslissen ze voor wie zij stemmen. Dat is: voor hun portemonnee, terecht, hoe zou u zelf zijn, maar in hun hart en in het café zijn zij communisten.’
'IN BRUSSEL IS het communisme uitgevonden’, doceert Peeters (1959) in een belendend café met tapis plein, spiegels op ooghoogte en amechtige ober: 'Marx heeft hier zijn Communistisch Manifest geschreven. Een stad heeft iets communistisch, de gemeenschap is sterk aanwezig. Als je op het platteland woont, ben je geneigd om kippen te fokken. In de stad heb je die primitieve reflex niet, daar ga je naar de winkel en je koopt eieren. Als je een auto hebt in de stad, dan moet je die buiten zetten, overgeleverd aan de gemeenschap. Op het platteland stouw je hem weg in een voorverwarmde garage onder je woonkamer, althans in België. Ik denk dat je in de stad veel meer een sociaal wezen moet zijn. In theorie klopt dat natuurlijk van geen kanten, dat weet ik ook wel.’
Mon amour is ook een zelfportret, een 'portret van de kunstenaar als vier jongemannen’. De personages zijn vier jongens - aardige jongens, want Peeters is Nescio-liefhebber - die razende pogingen doen om in het voetspoor van René Magritte en Marcel Broodthaers te treden. Ze stichten een genootschap, het Independent Research Center (IRC), en storten zich op mail art, copy art en écriture automatique. Ze inventariseren vuilniszakken en maken plakboeken van kattebelletjes die ze van voordeuren jatten. Alles is kunst mits het
van de straat komt: 'Iets met een flatgebouw, we zien linksboven een paartje dat handelingen verricht. Geen tekst. Licht gaat uit, en het licht gaat aan in de ruimte ernaast; de handeling wordt daar voortgezet, zo van links naar rechts en van onder naar boven. Eenvoudig scenario hiervoor te schrijven, met ergens middenin een moord.’
Hun vondsten zijn een briljante afspiegeling van de postindustriële onzinmaatschappij, dat summum van zinloosheid, getemperd door anonimiteit. 'Specimen’ schrijven op echt geld en dan in ingezonden brieven krachtig tegen dit misbruik protesteren. De jongens brainstormen zich een ongeluk - quantity breeds quality - en gaan meteen de straat op, want kunst moet rollen: 'Wij zorgen elke dag voor iets leuks in het warenhuis. Het nieuwe geweld. Met een pc, een fax en tien blitse dassen pakken we de wereld in. Wij geven advies, duurbetaald, mondjesmaat en nooit ongevraagd. In maatpakken melden we ons aan bij de ontvangstbalie. Wij zijn het Independent Research Center, juffrouw, waarop de receptioniste ons van boven tot onder bekijkt en in de intercom zegt: “De jongens van het IRC staan hier, mijnheer Laporte.” Knipoog. Huichelaar. Windmachine.’
'Wildgroei in alles, dat is typisch Brussels’, zegt Peeters. 'Er groeien hier niet alleen bomen in en op de huizen. Ook vlinderstruiken gedijen goed op ruïnes. Het is prachtig als ze allemaal tegelijk in bloei staan.’ Hij nipt parmantig van zijn koffie. 'Art Nouveau, zeventiende-eeuws en nieuwbouw uit de jaren zestig staan hier probleemloos naast elkaar. Belgen zijn individualisten, ons eigen huis is ons meesterwerk. En pas op, het weerspiegelt nog niet het diepst van onze gedachten. We houden ons nog in. Volgens architect Renaat Braam is België het lelijkste land ter wereld. Hij zal het wel weten, want hij heeft daar flink toe bijgedragen met zijn eigen bouwsels in de jaren vijftig en zestig. Brussel is de mooiste stad van dat lelijkste land. Alles is hier verhevigd, dichter opeengepakt, de kleuren en contrasten zijn zo gechargeerd dat ze in je gezicht spatten. Misschien is het daarom de bakermat van het surrealisme. Het onverenigbare verenigd. De kunst springt je toe op straat.’
HIJ HAALT EEN lederen album met zwartkartonnen bladzijden tevoorschijn. 'Dit is het plakboek dat ik bijhield tijdens het schrijven van Mon amour. Knipsels van dingen die toen gebeurden. Hier zie je de toenmalige burgemeester Michel Demaret, een vieze vettige man die op krantenfoto’s ook zo geportretteerd werd. Zijn interviews werden letterlijk uitgeschreven. Dat was zuivere literatuur, zo straf, zo'n onnavolgbaar mengsel van Nederlands en Frans en pure brutaliteit. Vraag: “Heeft men weleens geprobeerd U om te kopen?” Demaret: “Men heeft mij al voorstellen gedaan, maar ik zeg dan altijd: wendt U tot mijn partij.” Hij was een stroman van Vanden Boeynants die het Noordkwartier heeft laten afbreken. VdB spande samen met onroerend-goedsjacheraar Charlie de Pauw. Ze dachten: we gaan het daar alvast afbreken, dan komen de nieuwe gebouwen vanzelf. Uiteindelijk heeft die plek twintig jaar braakgelegen. Klein-Sarajevo. Er was een levende stadswijk afgebroken. Het is maar recent dat er weer gebouwd wordt.
Hier zie je Hotel Central, een mooi hotel dat men wilde afbreken. Er kwam protest en men besloot de voorpui te laten staan, daarachter werd alles weggehaald en vervangen. Façadisme, de typisch Belgische oplossing. Hier, weer zo'n vreemde interventie.’ Hij toont een fletse foto van een bouwput waarin op regelmatige afstand welige potplanten zijn opgesteld, onderling verbonden door dikke kabels. 'Het Philipsgebouw was net afgebroken, toen stond er op een ochtend dit. Niemand wist wat het voorstelde. Een interventie van een kunstenaar van wie niemand wist dat hij kunstenaar was. Even later was het weer weg.
“We moeten iets doen met het spektakel waar wij dagelijks voorbijstappen. We moeten de wereld lezen’, zegt groepsideoloog Robert in Mon amour. Het IRC leest boodschappenlijstjes, kleurt foto’s van koning Boudewijn met wascokrijt en maakt wandelingen langs kunstenaarshuizen. Hoe autobiografisch is dat alles? Peeters: 'Waar ik me vooral mee amuseer, is het controleren van dingen die je denkt te weten. Checken of het klopt. Magritte kende een kruidenier in zijn buurt en hij kocht daar elke week een doosje macaroni. Dat stuurde hij dezelfde dag met de post weer terug naar dezelfde kruidenier. Dat was zijn surrealistische act en die kruidenier vond dat ongetwijfeld prachtig. Dan ga ik zoeken naar die kruidenier, ik koop daar een doosje macaroni en doe dat op de post. Platte anekdotiek, banaal toerisme. Daar houd ik mij eigenlijk mee ’
In Mon amour aanvaardt het viertal tenslotte de banaalste aller opdrachten: het kunstwerk België. Robert schrijft op een stadskaart de woorden 'Belgische Mythologische Kunst’ en daarna volgen ze gevieren precies het parcours van de letters. 'Ik hou van symbolen als lege dozen’, zegt Robert: 'België is zo'n lege doos, een opdracht voor kunstenaars met niets om handen.’ Het spreekt vanzelf dat er van dit alles niets beklijft. Het IRC heft zich op, de vriendschap verloopt. De jongens pikken elkaars vrouw af, maken carrière en worden dik en serieus. Wat rest is Roberts eerbied voor de koning, de laatste steun en toeverlaat van noodlijdend België. Als de oudstrijders er niet meer zijn, zullen de kunstenaars het Koningshuis verdedigen: 'Dit is het meest te benijden land. Dit is het vaderland dat geen vaderland is. Het Belgisch nationalisme is het zwakste nationalisme, met de grootste lafhartigheid. Er zijn drieduizend volkeren, en wij zijn er daar al twee van.’
IN DE NAZOMER van 1996 beleefde België zijn meest wanordelijke seizoen sinds de grote stakingen van de jaren zestig. Kelders werden uitgegraven, paleizen van justitie bestormd. Het volk keek naar zichzelf op tv, meisjes boden de premier witte bloemen aan. Uitgerekend dat moment kozen Peeters en collega-schrijver Kamiel Vanhole om te gaan wandelen langs het Brusselse kanaal, de slagader van industrieel België. 'Uit de auto zie je niets, je bent voortdurend afgeleid’, zegt Peeters. 'Als je wandelt ben je rustig, geconcentreerd op je omgeving, dan valt de schoonheid je toe. Idealiter wandel je alleen, of met een goede vriend die bijtijds kan zwijgen of de juiste gedachte formuleren om je verder te helpen.’ Zo'n vriend was Kamiel Vanhole. De mannen volgden een route die is uitgestippeld door La Fonderie, een Waalse stichting voor industriële archeologie. Binnen twee dagen wandelden ze een boek bij elkaar: Bellevue/Schoonzicht of: de nieuwe kunst van het wandelen (1997).
Peeters: 'Die wandeling was eigenlijk een reconstructie van wat België is en wat het is geweest. België heeft een prominente rol gespeeld in de industriële revolutie. Langs het kanaal zie je de sporen, het verval, soms pure schoonheid. Wij stuitten op een oud goederenstation dat uitgebrand was. Een meesterwerk. Een gebeente van staal, ineengezakt en verwrongen op een vloeiende, art nouveau-achtige wijze. Het was roestrood, van een zuivere roodheid die niet te beschrijven is. Op de grond woekerde onkruid, fris als verse sla-plantjes. Daarboven torende die woekering van roestend staal. En wij liepen daar alleen in rond.
Toen we een halfjaar later teruggingen met een journalist die het per se wilde fotograferen, was het weg. Je moet je laten overvallen door de schoonheid, of je moet ze zien te betrappen.’
De handeling in het boek is even surreëel als hun wandeling. De Vlaming Robert en de Waal Philippe krijgen gelijktijdig, maar zonder het van elkaar te weten, opdracht om de Brusselse kanaalzone linguïstisch in kaart te brengen. Van elke bedrijfsnaam, productnaam of reclameleuze die ze onderweg tegenkomen, moeten ze aantekenen of deze Nederlands dan wel Frans is. 'La Vache Qui Rit’ is Frans, de tabaksfabriek van Jacobs is Nederlands, enzovoorts - eigenlijk een heel eenvoudig werkje, zegt Roberts opdrachtgever, een ambtenaar op een ministerieel kabinet. ’("Misschien was die Jacobs een Franstalige”, suggereert Robert. De man inspecteert nu traag zijn handpalmen, daarna zijn nagels. Hij decreteert: “Jacobs is Nederlands, of zullen we daarover even discussiëren? Begrijp je, Robert, jij als Nederlandstalige, waar ik ergens naartoe wil?”
'Robert begrijpt het. Philippe, die zijn opdracht krijgt van een vage Waalse edelman, begrijpt het ook. Eenmaal op weg lopen ze elkaar tegen het lijf en besluiten samen op te trekken. Als ware prospecters banen ze zich een weg door verlaten opslagloodsen, overwoekerde rangeerpleinen en roestende fabriekshallen. Het begint al gauw te dagen dat hun opdracht onbegonnen werk is. De erven D'Ieteren bijvoorbeeld, nazaten van Napoleons favoriete wagenbouwer, zijn Frans-Nederlands-Belgisch. Met de joodse bierbrouwer Vanden Stock, die door de Duitsers is vermoord, weten ze helemaal geen raad: 'Word maar ’s wijs uit zoveel verleden.’ Een boot met de naam 'Rosette’ vaart voorbij. De schipper heeft zijn dochtertje in een kinderstoel naast zich, het kind kraait. 'Tatata, kinderesperanto’, noteren ze pesterig.
Het kanaal is een lied van weemoed en vervreemding. Het hele industriële verleden ligt schots en scheef op de oever opgetast; een vuilnisbelt van utopieën en ingenieursvernuft, van vooruitgangsgeloof en tastbare verhoudingen, van werkmanseer en massastakingen, van de 'duizendvoudige hoop van die dagen’. Daarboven verheffen zich nu de blinde kantoren van de multinationals: Océ, Digital, Benetton. Ze smaken naar niets: 'Vandaag tonen producten alleen de consument, in een leugenachtige spiegel. De fabrieken worden onzichtbaar, verdwijnen naar het buitenland. De bedrijven worden zo naamloos als de vennootschappen.’ De logolalie is een desintegrerende straal die de mens van zijn product en van zijn medemens losmaakt. Naarmate de wandeling vordert, wordt de tegenstelling onverdraaglijk: 'Wanneer komen ze hier alles opruimen met wit schuim en bzz alles weg?’ smeekt Robert: 'Alles oplossen, onverklaarbaar doen opgaan in rook. Dat ’t goed geweest is. Kom me halen.’
AAN HET EIND brengen Robert en Philippe verslag uit. Dat wil zeggen, ze slingeren hun opdrachtgevers de waarheid in het gezicht. Hun optreden ontaardt in een heuse interventie, compleet met ontploffende overheadprojector: 'Deze wereld is al bij al aangenaam, weet U dat, mijne heren, maar die wereld valt langzaam uiteen. Er is die afschuwelijke, desintegrerende straal. Jullie zijn liefdeloos en veel te snel, jullie beoefenen de kunst van het wandelen niet. Taal! Wat weten jullie van taal! Alles is ook allang gezegd door jullie soort. De taal, die is van ons, van Philippe en mij, en hoe meer talen hoe meer vreugd.“Het Bloomsday-project heeft uiteraard ook een boodschap’, zegt Peeters. 'Dat vonden we zo'n belachelijk gedateerd idee, dus waarom niet? In mijn bijdrage vertel ik over een denkbeeldige ontmoeting in het Warandepark met mijn vader die begin dit jaar gestorven is. Hij was ook zo'n boodschappenman, uit de periode van de Katholieke Actie. Na de wereldoorlogen wilden die de wereld weer opbouwen vanuit een christelijke inspiratie, Johannes(XXIII, Dom Helder Camara, dat vond ik allemaal terug toen ik zijn papieren doornam. In het Warandepark wil hij die papieren aan mij geven en ik weet niet of ik ze wil aanpakken. Ik met mijn ironische, postmodernistische instelling dat je alle gezag moet wantrouwen, nergens in meestappen, alles kritisch en rationeel moet benaderen.Tegelijk ben ik jaloers op dat gedreven discours, dat geloof van mijn vader. Ik heb een melancholisch verlangen naar vroeger, naar hoe mooi het was. Brussel is voor mij een goudmijn van sentimenten, van schoonheid en lelijkheid en herinneringen door elkaar. Ik zoek naar dingen waarvan ik weet dat ze gelogen zijn en ook nog vaak verdwenen. Mijn vader werkte in Brussel. Ik mocht af en toe met hem mee in de Mercedes en dan toonde hij Brussel, de boulevards, het Koninklijk paleis met de vlag in top. Dan vroegen we aan mijn vader: is de koning er? Ja jongens, de koning is er. Wat wil je meer om een gelukkige jeugd te hebben? Mijn toerisme is even banaal als mijn nationalisme, het nationalisme van alle "nieuwe Belgen”. Je maakt het helemaal zelf, anderzijds weet je heel goed dat het fake is. Daarom heb ik gezegd: als er iets is dat we moeten uitvoeren in België, is het ons nationalisme. Belgen aller landen, verenigt U! En Kamiel Vanhole is een voortreffelijke vriend, schrijft U dat maar op.'Boven het kanaal sterft de herfstzon duizend doden. Het water kabbelt vredig tegen de granieten wanden, langs dukdalven en gietijzeren bolders. In het grijze marmer van een brugpijler is een gezicht uitgespaard, in japaniserende stijl. Een kop als een No-masker met serene glimlach en kleine vierkante tandjes, niet bestemd voor het publiek, maar voor de acteur die zich voor spiegel de gewenste emotie moet inscherpen. De neo-Griekse tempelbouw van de KBC Bank detoneert niet eens bij de gerestaureerde pakhuizen aan weerszijden. De negentiende-eeuwse bosschages die de architect eromheen heeft gepland, gaan al aardig de hoogte in. Maar dit is Brussel, de jungle is nooit veraf. In de verte, boven de binnenhaven, zwaait een reusachtige zwarte grijpkraan door de lucht en stort zich op zijn prooi. Morgen zal hij uitgestorven zijn, overmorgen verrijst hij uit zijn as. Tyrannosaurus Belgicus, 'BXL’ voor zijn vrienden.