C. Buddingh’-prijs: Taal die zingt

Die vier debuterende dichters die zijn genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs stevenen af op een fotofinish.

De literaire prijs, het blijft een merkwaardig fenomeen. Fijn om te krijgen, maar hoe besluit je als jury welk boek uiteindelijk krachtiger is dan alle andere titels die binnen hetzelfde genre en dezelfde periode zijn gepubliceerd? Als we het even bij de poëzie houden: twee willekeurige gedichten uit twee verschillende bundels met elkaar vergelijken is al een onmogelijke opgave. Stel, je zegt: dit is een goed gedicht en dit is een slecht gedicht over een bepaald thema. Zonder de context van de bundel zegt zo’n oordeel niets, maar intussen serveer je de ene dichter af en geef je de ander een klop op de schouder, terwijl je ook twee andere gedichten had kunnen kiezen, waarmee het eindoordeel heel anders had kunnen uitvallen. Het zegt meer over degene die oordeelt dan over de gedichten.

Bundels met elkaar vergelijken is zo mogelijk nog moeilijker. Hoe kom je tot een shortlist? De jury van de C. Buddingh’-prijs 2020 voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut koos het gebruikelijke aantal van vier dichtbundels. Hebben de juryleden overwogen om vijf bundels te nomineren? Godface van Asha Karami, eerder genomineerd voor de Herman de Coninckprijs (de Vlaamse prijs voor de beste dichtbundel van het voorbije jaar), de Grote Poëzieprijs (de Nederlandse prijs voor de beste dichtbundel van het voorbije jaar) en de E. du Perronprijs, is volgens de Buddingh’-jury niet goed genoeg om geprezen te worden als een van de vier beste debuten van het afgelopen jaar. Het laat zien dat het prijzen van kunst een weliswaar onderhoudende maar toch vooral een door toeval geregeerde en persoonlijke aangelegenheid is. Andere juryleden, andere keuzes en andere winnaars.

De vier dichters die dit jaar op een fotofinish afstormen zijn Jérôme Gommers, Jens Meijen, Iduna Paalman en Laurine Verweijen. De jury is verguld met de gemiddeld hoge kwaliteit van de in totaal dertig ingezonden bundels, die voor een flink deel gepubliceerd zijn door kleine uitgeverijen. Mooi dat dat wordt opgemerkt. En ze signaleert nog iets. Ze zegt te hopen ‘dat de volgende lichting debuten meer diversiteit zal kennen’. De diversiteit waarop wordt gedoeld slaat niet zozeer op culturele achtergrond of sekse, maar op onderwerpkeuze: ‘Thematisch gezien voerden de zogenaamde “dertigerdilemma’s” de boventoon: Wel of niet samenwonen? Kinderen?’ Het zegt veel over de gemiddelde leeftijd waarop dichters debuteren en over de persoonlijke insteek van veel poëzie.

Jens Meijen © Catherine Lemblé

Jens Meijen (1996) is de jongste van het viertal. In 2016 was hij de eerste Jonge Dichter des Vaderlands van België. De geëngageerde houding die je met een dergelijk ambt associeert, bepaalt zijn debuut Xenomorf, vanaf het openingsgedicht ‘Gilgamesj’:

Wat er van ons overblijft: plastic. Doorschijnend, verstikkend, onontkoombaar: plastic.
Wat wij droegen van de dieren zullen zij van ons dragen:
chipszakken, snoepverpakkingen
als rokken over schubben en veren.

Xenomorf is een ambitieus en lyrisch debuut, vol verwijzingen naar en citaten uit de literatuur en de muziek, waaronder Drake, The Pixies, Moby, Spinvis, Britney Spears en BLØF. De alarmerende gedichten over de westerse politieke bubbel en de teloorgang van het klimaat dragen titels als ‘Puinsonnetten’, ‘Wanstaltig’, ‘Zuurtegraad van een autobatterij’ en ‘Wij zijn vatbaar en besmettelijk’. De kritische en dystopische gedichten betrekken de wereldproblematiek in de eerste plaats op het lyrisch ik zelf, want het is makkelijk wijzen naar anderen. Als het gaat om de aarde zijn wij zelf natuurlijk de grootste sta-in-de-weg. Daar zal ieder weldenkend mens het mee eens zijn, maar behaagziek wordt het gelukkig nergens. Nu en dan is het wat zwaar aangezet, maar doorgaans is de taal treffend, bijvoorbeeld in een regel als: ‘Ik heb enkel een geweten terwijl ik slaapwandel’ (‘Ochtendzang van een slaapwandelaar’), of in een klein en stil tafereel als dit, uit ‘De god zichtbaar de god’:

Ik strooi broodkruimels in de vorm van je gezicht
als bewijs dat we hier ooit geweest zijn.
Blijven zullen we.

Iduna Paalman © Irwan Droog

De nominatie van Iduna Paalmans De grom uit de hond halen is niet onverwacht. Haar debuut is volop geprezen, werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs, en Paalman zelf werd door de Volkskrant uitgeroepen tot literatuurtalent van 2019.

Opvallende, poëtische titel. Lekker cartoonesk ook, het zou om een scène uit Tom & Jerry kunnen gaan. Paalman krijgt het voor elkaar om haar existentiële gedichten over controledwang en angst – doodsangst, angst voor verandering – licht en associatief te houden. Soms zo associatief dat ik me in een quiz waande, alsof het in de eerste plaats de bedoeling was dat ik moest raden wie de verteller was, zoals in ‘In functie’:

Ik weet wat ik kom doen. Geen twijfel
mogelijk. Blikken van verstandhouding,
mouwen die – bij wijze van – al dankbaar
worden opgestroopt.

Ook in een gedicht als ‘Alternatieve geneeswijzen’, met een sterke opening (‘In de linzen op je bord uitvergrote kankercellen zien/ ze met een beetje saus laten samenklonteren tot gezwel’), had ik het gevoel alsof iets doelbewust werd achtergehouden, zonder dat ik de sleutel in de tekst zelf kon vinden. Het gedicht is, zoals veel andere gedichten in de bundel, een oefening in bezweren. Na de aansporing ‘Gebruik je borsthaar als zonwering’ dacht ik dat hier een vader wordt aangesproken, maar na de (heerlijke) regel ‘denk aan/ je vader die tegelijkertijd de Sint was en je vader’ was ik daar niet zo zeker van.

Soms lijkt het gedicht bij Paalman meer op een gevatte cabarettekst, zoals ‘Brief aan de schoonmaakhulp’ (‘wist je dat stofzuigerzakken vroeger van koeienblaas/ waren?’). Maar wat van begin tot eind indruk maakt, is de enorme reikwijdte aan verhalen, beelden, taalvondsten. Paalman beschikt over een rijke taalschat, haar humor is niet bang om te bijten, en ze weet hoe je een gedicht moet eindigen, zoals in ‘Spam-filter’: ‘ik ben het meisje uit de buurt, de wapens liggen/ naast me, ik kan ze inmiddels verstaan.’

Laurine Verweijen © Annaleen Louwes

‘We hebben seizoenen in dit land maar vaak blijft het zes maanden droog’, zegt Nadine Gordimer in het korte interviewfragment dat als motto dient bij Gasthuis van Laurine Verweijen (1981), die in 2016 de tweede prijs bij de Turing Gedichtenwedstrijd won. ‘You forget that rain exists.’ In de bundel slaat dat ‘vergeten’ op de verhouding van de ik met haar lichamelijkheid – o ja, dat vreemde lijf van mij – en op het besluit om je niet te conformeren aan maatschappelijke en culturele verwachtingen als het gaat om bijvoorbeeld een kinderwens. Antjie Krog, die al eens ‘Acht menopauzesonnetten’ schreef, vindt dat je als dichter de menselijke beleving verarmt door in je gedichten de helft te verzwijgen. Verweijen lijkt die opvatting te delen en opent haar bundel met een cyclus over menstruatie. Heel precies probeert ze te verwoorden wat zich in het lijf voltrekt, waardoor haar taal vanzelf gaat zingen en prachtige poëzie wordt:

mijn open mond
maakt klinkers die hun kont mijn lijf in resoneren, ik
zucht zucht zucht tegen het trapezewerk van pijnen
in, de danser valt vanzelf

De taal is compact (‘zwanger van onbevruchting koortst mijn lichaam zich holle/ vormen’) maar niet cryptisch. Nu en dan, zoals in ‘Lege kamers’, wordt er wat zwaar op de symboliek geleund (‘We konden niet zien hoe groen het gras/ of hoe groen we waren’), en een gedicht als ‘Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ is wat onscherp, maar veel vaker laat Verweijen het precieze denken en verbeelden samenkomen. Het titelgedicht is daar een prachtig voorbeeld van, met een subtiel, onnadrukkelijk slot, en ook gedichten als ‘Kingsize’, ‘Gospel’, ‘Volwassen’, de cyclus ‘Weeftechniek’ (‘hoe liever hoe associatiever,/ hoe creatiever’) en het sluitstuk ‘Wat verborgen ligt, overblijft’ zijn van hoog niveau.

Jérôme Gommers © Reinoud Leenen

Volgens de jury is Momentums laadklep van Jérôme Gommers (1961) een bundel die je eindeloos kunt lezen en herlezen ‘want er is steeds iets nieuws te ontdekken’. Dat geldt natuurlijk voor alle goede poëzie, maar na het lezen van regels als ‘Dat was de schedelklots, de gutsing,/ het ingewandcarteblanche. En oeps, een windje. Welja, liet mij maar laag,/ tussen de ikbillen en de jijbillen’, snap ik die opmerking wel. Er staan veel sterke, klinkende regels in de eerste twee afdelingen, en door alle allusies en verwijzingen is het vaak lekker melig (ergens is sprake van een ‘mulischiaanse mensenmassa’). Waar gaan deze hyperactieve, existentiële gedichten zo demonstratief met een boog omheen, vroeg ik me een paar keer af tijdens het lezen van de gedichten in de afdelingen ‘Der nadagen zadige (ach nee toch…?)’ en ‘Ons huis is geen huis’, want er steekt wel degelijk een serieus verhaal achter dit vrolijke werk: ‘in de spiegel trad hem een verwaterde/ vorm tegemoet die zichzelf als zodanig niet kennen wilde’.

In de derde en vierde cyclus, ‘Voortijd’ en ‘En ’s nachts de nacht weer’, komt er meer rust en lucht in de taal. In het prozagedicht dat de bundel besluit, is het stof echt gaan liggen. De herinnering aan zomaar een dag in een herfstig stadspark wordt schitterend opgetekend: ‘En de twee kleine meisjes rennen om beurten op een van hun moeders af, worden opgetild, hoog door de lucht vliegen ze – hun in vreugde vertrokken gezichten.’

Vier sterke, onvergelijkbare debuten. Wie gaat het worden? Op 26 juni is het bekend. Ik vermoed dat het uiteindelijk zal gaan tussen Paalman en Verweijen. Maar in deze crisistijd ga ik daar geen geld op zetten.