C’est moi

‘Dear Wikipedia, I am Philip Roth.’ Zo opende de 79-jarige schrijver van The Human Stain (2000) deze maand zijn brief aan de internet­encyclopedie. Die had volgens hem een fout gemaakt in het lemma over dit boek. Over die fout straks meer. Het gaat me nu om de kracht van die zes woordjes, die een frontale botsing tussen twee tijdperken belichaamt.

Dear Wikipedia, I am Philip Roth. De encyclopedie die Jan en alleman mag volkalken en die principieel geen autoriteiten erkent, krijgt een standje van de auteur, die zich nog in het tijdperk waant waarin hij autoriteit heeft.

Met die zes woordjes zie je hem het zaaltje binnenvallen waar dat zootje ongeregeld encyclopedietje aan het spelen is. Wat zullen die lelijk op hun neus kijken! Inwendig grinnikend stapt hij binnen, traag en waardig. Boven aan een trap ademt hij in, en verkondigt met vaste stem: ‘I am Philip Roth!’

So what, riep Wikipedia terug. Of in beleefde woorden: ‘I understand your point that the author is the greatest authority on their own work but we require secondary sources.’

Auteur van een boek zijn wil niet langer zeggen dat je er autoriteit over geniet. Dat had Roland Barthes in 1968 natuurlijk al beweerd in zijn essay La mort de l’auteur, maar daar ging het toch vooral om het buitenspel zetten van de schrijver als scheidsrechter bij het toekennen van betekenissen. Waar het boek over gaat? Dat maken de lezers wel uit.

Een eeuw eerder verlangde Flaubert al naar zo’n onzichtbaarheid van de auteur. ‘De kunstenaar moet zien te bereiken dat het nageslacht denkt dat hij nooit heeft geleefd’, schrijft hij in 1852.

Maar Philip Roth’s inval in het kaartenhuis van Wikipedia ging niet om een interpretatie van The Human Stain, maar om een inspiratie­bron van een van de personages. Wikipedia wijst erop dat velen denken dat Silk Coleman, de tragische held uit het boek, geënt is op de Amerikaanse schrijver en criticus Anatole Broyard. Die had dezelfde etnische afkomst, en had vergelijkbare verwikkelingen doorgemaakt. In de brief die Roth in The New Yorker van 7 september publiceerde, legt hij uit dat niet Broyard model heeft gestaan, maar zijn vriend Melvin Tumin, die dertig jaar hoogleraar sociologie aan Princeton was.

Als auteur mag je misschien je autoriteit verloren hebben over de interpretaties van je werken, maar je weet zelf toch wel het best door wie je je wel of niet hebt laten inspireren?

Het is vreemd dat Roth zich zo nadrukkelijk in die discussie mengt. Gewoonlijk haasten schrijvers zich om de wortels die hun romans mogelijk hebben in de werkelijkheid zo snel mogelijk door te hakken. Natuurlijk kun je in dit personage de dode kraker Hans Kok zien, of in dat personage de componist Peter Schat, maar laten we vooral niet vergeten dat we hier met fictie te maken hebben. ‘Novel writing is for the novelist a game of let’s pretend’, stelt ook Roth even kernachtig als terecht in zijn Wikipedia-brief.

Het is natuurlijk goed mogelijk dat je iets schrijft dat meerdere parallellen met de werkelijkheid blijkt te hebben. Zoiets ‘berust louter op toeval’, kun je dan als disclaimer opnemen (alhoewel ik bij zulke in een roman zo overbodige beweringen juist ga denken dat er ‘wel iets mee aan de hand zal zijn’). Je zou het juist als een compliment kunnen opvatten als meerdere mensen hun eigen levensverhaal in je boeken menen te lezen. Dan heb je kennelijk iets universeels weten aan te spreken.

Jan Siebelink vertelde eens hoe een vrouw zich griezelig veel in een hoofdpersonage van een van zijn boeken herkende (en dáár kon hij dan weer een boek over schrijven). Flaubert kreeg na publicatie van Madame Bovary brieven van vrouwen die zich in Emma herkenden. Aan een van die dames schreef hij streng terug: ‘Madame Bovary is in het geheel niet op de waarheid gebaseerd. Het verhaal is volledig verzonnen; ik heb er ook niets van mijn gevoelens of van mijn bestaan in gelegd. (…) De kunstenaar moet in zijn werk aanwezig zijn zoals God in de schepping: onzichtbaar en almachtig, zodat je hem overal voelt, maar hem nergens ziet.’

Allemaal gelogen trouwens, want hij baseerde zich juist op een zelfmoordgeval van een overspelige doktersvrouw in een klein dorp bij hem in de buurt. Maar dat houdt hij liever voor zich. En om van al het gespeculeer af te zijn, beweerde hij domweg: ‘Madame Bovary, c’est moi.’

Dat had de auteur van The Human Stain ook kunnen doen. Maar hij koos voor de variatie: ‘Dear Wikipedia, I am Philip Roth.’

Als iedereen het boek als sleutelroman wil lezen en dan ook nog met de verkéérde sleutel staat te zwaaien, wordt het hem, op de drempel naar zijn fysieke dood, kennelijk te machtig. Dan wil hij op z’n minst de júiste sleutel aanreiken.