C’est moi, wen er maar aan

In Berlijn woonde ik een literaire avond bij met een Amerikaanse schrijver die een roman had geschreven over de laatste levensjaren van de jonggestorven F. Scott Fitzgerald.

De Amerikaanse schrijver praatte over zijn boek alsof hij citeerde uit Stephen Kings On Writing. De ene oneliner na de andere rolde vloeiend over zijn tong. Quasi-bescheiden wuifde hij de complimenten van de interviewer weg. Wanneer hij voorlas, rekte hij zijn zinnen naar het einde toe uit, waardoor ze extra literair klonken. Het was, al met al, een volmaakt Amerikaanse show.

Het was ook, om het in beschaafd Amerikaans te formuleren, een dickfest. In het Nederlands: twee mannen op een podium, die daar zaten om gezamenlijk hun mannelijkheid te vieren. De Amerikaanse schrijver vertelde over de beroemde mannen in het gouden tijdperk van Hollywood: Humphrey Bogart, Clark Gable, Ernest Hemingway. Over de met drank doordrenkte feesten, Fitzgeralds bijdrage aan het script van Gone with the Wind, zijn legendarische redacteur Maxwell Perkins – wat hem bracht bij zijn éigen legendarische redacteur, die hij overigens deelde met Don DeLillo, en zijn meelezers, waar, overigens… Stephen King er één van was, maar dat terzijde. Glunderend bracht de interviewer in dat er ook nog een paar Duitsers hun opwachting maakten in het boek van de Amerikaanse schrijver, en dat hij eens een ijsje had gegeten met Don DeLillo.

‘Fitzgeralds onafgemaakte laatste roman The Last Tycoon’, zei de Amerikaanse schrijver, die niet erg veel animo had om op deze anekdote te reageren, ‘is zelfs onaf nog de beste die ooit over Hollywood is geschreven.’

‘Dat maakt jouw roman dan de op één na beste’, zei de interviewer, inmiddels achterover leunend, handen tevreden over zijn buik gevouwen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er ook over vrouwen werd gesproken. Over Mayo Methot die dronken aan Bogarts arm hing. Over Zelda Fitzgerald die in een gesticht zat en steeds verder aftakelde, haar gezicht ‘pinched and haggard, cronelike, her smile ruined by a broken tooth’. Over Sheilah Graham, de roddelcolumniste die de laatste jaren Scotts geliefde was en vijf boeken had volgeschreven over hun verhouding, schrijfsels die je nauwelijks serieus kon nemen, want tja, de verliefde vrouw. En over Dorothy Parker, die ooit een affaire had beleefd met Scott en daar – de Amerikaanse schrijver was althans zo vrij geweest om dit te vermoeden – nooit overheen was gekomen. Fun fact: veel van Parkers beroemde citaten kunnen in werkelijkheid worden toegeschreven aan haar echtgenoot Alan Campbell!

Ik had geen zin meer om naar mannen te luisteren als ze zelfvoldaan over hun buik zaten te wrijven op een podium

Met opeengeperste lippen zat ik heen en weer te schuiven op mijn stoel, ik voelde mijn gezicht heet worden – mijn lichaam reageert soms eerder dan mijn geest als het te maken krijgt met een overdaad aan ego en huis-tuin-en-keuken-seksisme. Tijdens het vragenrondje kon ik het niet laten te vragen waarom de Amerikaanse schrijver eigenlijk een roman over Fitzgerald had geschreven, over wie al zo veel geschreven was, boeken vol, ieder biografisch detail uitentreuren onder de loep gelegd.

‘Excellent question’, zei de schrijver, en gaf toen een gemakzuchtig antwoord over de kracht van fictie versus de beperkingen van non-fictie.

Even later, in de slaapkamer van de residentie waar ik een paar weken verblijf, ging ik door het stapeltje boeken dat ik had meegenomen. Zadie Smith, Maggie Nelson, Astrid Roemer, Clarice Lispector. Ik had een antistof nodig, iets wat alle regels van Stephen King aan z’n laars lapte en ook geen boodschap had aan de kracht van fictie – Hilary Mantel, Emma Cline, Valeria Luiselli, Patricia De Martelaere.

En echt waar, toen pas daagde het me: ik had alleen vrouwen meegenomen. Ik bleef een tijdje naar mijn boeken staren en een grote tevredenheid maakte zich van me meester, alsof ik zojuist een ingewikkelde som op een zuivere, exacte manier had opgelost. Ik had helemaal genoeg van mannen, dat was het! Ik had geen zin meer om naar ze te luisteren als ze zelfvoldaan over hun buik zaten te wrijven op een podium, en blijkbaar had ik ook geen zin meer om ze te lezen.

Een vreselijk seksistische gedachte natuurlijk, politiek incorrect en hopeloos tweede golf-achtig. Maar daar, in de beslotenheid van mijn kamer, kwam het me voor als een overwinning. Zonder dat ik het echt in de gaten had gehad, had zich in mij een proces voltrokken: wat vrouwen, vrouwen in deze tijd, schrijven vind ik interessanter dan wat mannen schrijven. Vrijer, wilder, slimmer, eerlijker en zonder met stokpaardjes over het verschil tussen fictie en non-fictie op de proppen te komen, omdat ze dat verschil allang hebben gebagatelliseerd.

Een opmerkelijke conclusie voor iemand die eigenlijk altijd van mening is geweest dat gender er niet zo veel toe doet in de literatuur. Moest ik dit nu ook aan de grote klok gaan hangen? Ik twijfelde, tot ik Hilary Mantel las, die beschrijft hoe ze begon aan haar fenomenale memoire De geest geven: ‘Ik doe het gewoon, denk ik bij mezelf, ik steek mijn handen uit en zeg: c’est moi, wen er maar aan.’