café klok



café klok



 


FEUILLETON


DOOR


DOESCHKA


MEIJSING



26



Korte inhoud van het voorafgaande:


De breuk tussen Grietje en Bas lijkt definitief te zijn. Het komt Bas’ humeur ten goede. Dan komt Charles naast Andrea zitten met een droeve tijding.



Andrea wist zo gauw niet wat ze op Charles’ sombere woorden moest zeggen. Eerst dacht ze nog dat hij een cynische grap maakte, maar toen zag ze dat zijn hoofd nog dieper dan anders neerhing. Het was of zijn rug zich kromde om het beest dat hem besprong af te weren. Het beest van de gevreesde ziekte. Andrea voelde hoe er kou in haar botten kroop. Het kon toch niet dat de ziekte hier in het café, waar ze allemaal veiligheid en geborgenheid vonden, zou gaan huishouden?


‘Waarom denk je dat je aids hebt?’ vroeg ze.


‘Ik heb de meest onverkwikkelijke dagen gehad’, zei Charles met het deftig nasale geluid dat hem nooit verliet. ‘Ik had een aanval, een fit, weet je wel. Ik dacht dat ik het loodje zou leggen. Het was zo erg dat ik een vrind moest laten komen.’ Charles was arts, huisarts zonder praktijk. Zijn drankpatroon sloot een reguliere praktijkvoering uit. Sinds jaar en dag draaide hij alleen nog maar eens in de zoveel tijd een weekenddienst. Als hij dienst had, was hij volledig sober en raakte hij geen druppel aan. Hij was daar buitengewoon principieel over.


Dronken artsen waren door de eeuwen heen al een bron van lachlust geweest, maar om Charles viel niet te lachen, hoe straalbezopen hij ook was. Hij behoorde tot het uitstervende ras van de uitmuntende diagnostici. Het was iets waar hij terecht trots op was. Hij speelde het zelfs klaar een diagnose op afstand te stellen. Toen Andrea een keer met zware buikpijn in bed lag en Myra aan Charles had gevraagd wat het kon zijn, had hij vanachter zijn glas jenever sloom en correct vastgesteld wat het was, voordat Andrea’s eigen huisarts met veel laboratoriumonderzoek tot dezelfde conclusie kwam.


‘Misschien valt het mee’, zei Charles naast haar. ‘Ik heb mezelf beloofd dat ik ophoud met drinken als het meevalt. Maar hoe kun je het een hele avond in dit hol uithouden als je niet drinkt, vraag ik me af.’


‘Gewoon niet drinken’, zei Andrea. Ze voelde zich onbehaaglijk onder haar eigen makkelijke woorden. Als je niet dronk was Café Klok een oord van verschrikking, wist ze uit ervaring. Je zag er bij wijze van spreken de kakkerlakken rond de kassa dansen, je voelde de kruk onder je kont bezwijken en werd, of je het wilde of niet, in een tomeloze put van droefenis gezogen vanwege het nietszeggende, onophoudelijke geklets om je heen. Als je meedronk met de anderen daarentegen was het café een smeltkroes van genieën, een warm bad van oorspronkelijkheid en creativiteit. Geen burgerlijke wereld had daar toegang, geen praatjesmakers of winstdelers, geen windbuilen en geen moraalridders. Een vrijplaats voor de getalenteerden onder de mensheid was het, als je dronk.


Hoe zou iemand als Charles, die geen avond niet in het café te vinden was, zijn tijd moeten doorkomen? Een normale Klokganger ontving geen mensen thuis, maakte de nodige afspraken aan de bar en troonde zo nu en dan een verbijsterd familielid mee om te laten zien hoe het échte leven eruitzag. Charles’ wereld zou vergaan als Café Klok er niet meer was.


‘Sloitiengstait!’ riep Marcella en de meest hardnekkige Klokgangers probeerden haar met gefleem nog een laatste glas afhandig te maken. Het hing van het humeur van Marcella af of dat lukte. Negenennegentig procent van de tijd had ze een humeur om op te schieten. Waartoe waren de klanten in Café Klok? Om Marcella het leven zuur te maken.


‘Ga je nog mee naar De Limiet?’ vroeg Lina naast haar. ‘Peter Hek schijnt pillen te hebben.’


Andrea schudde mistroostig haar hoofd. Ze had nu even geen zin in wat Lina ‘gevaarlijk leven’ noemde.