Café klok

Korte inhoud van het voorafgaande:
Tussen Bas en Grietje beginnen de moeilijkheden. Lina en Andrea hebben Grietje in de maling genomen.

Andrea en Lina keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan. Het was wel vaker voorgekomen dat Bas een woedeuitbarsting had, maar hij had daarbij nooit het café verlaten. Het was altijd bij een geweldige bulderpartij gebleven, een enkele keer misschien met een mokkende Bas, in zijn eentje boven aan de ronde tafel, maar weglopen was er niet bij. Dit keer zag het er zorgelijker uit.
Ze keken naar Grietje, die vastbesloten haar tranen droogde, nu er toch geen Bas in de buurt was om het te zien en uit haar rugzak een deeltje Spaans voor beginners haalde. Demonstratief begon ze aan de eerste rij woordjes.
‘C'est la vie’, zei Lina.
'Zou jij Bas als minnaar willen hebben?’ vroeg Andrea.
'Nou’, zei Lina, 'voorlopig heb ik het druk genoeg met mannen. Ik ben gevraagd voor een weekje op Mallorca.’
'Door wie, door Aknaton?’ vroeg Andrea.
Lina zuchtte. Was dat maar waar. Het was haar gevraagd door Peter Hek, de avond ervoor, in De Limiet. Misschien was het gewoon in het holst van de nacht gebeurd en was hij het vandaag alweer vergeten. Ze wist dat Andrea’s stelregel was dat wat in het café werd afgesproken, niet wás afgesproken. Het was trouwens ook de vraag of ze wel zin had.
Andrea piekerde over Bas. Hij was haar beste vriend en hij was niet gelukkig. Een man als Bas trok automatisch iedereen naar zich toe. Hoeveel keer was hij al niet getrouwd geweest? Met al die vrouwen was hij de beste vrienden gebleven. Andere vrouwen kwamen allemaal naar Café Klok om Bas te zien, om te weten of het goed met hem ging, om hun verhaal aan hem kwijt te kunnen. Hij was de hartelijkheid en gulheid zelve. Maar zelf verdiende hij beter dan lijzebes. Het was haar een raadsel wat die twee in elkaar zagen.
Niemand begrijpt andermans liefde, zei ze streng tegen zichzelf. Ze moest eens naar huis, een beetje een behoorlijke maaltijd maken. Nu Bas boos was weggelopen zaten er alleen nog maar vergeet-mij-nietjes in het café.
Behalve Lina dan, die kon je moeilijk een vergeet-mij-nietje noemen. Gedrapeerd in de wonderlijkste shawls, rokend met sierlijke gebaren, te dik voor haar lengte straalde Lina een autoriteit uit die respect afdwong. Chic, elegant, met een rauwe schaterlach en een doorrookte stem - ach Lina was Parijs en Londen en Berlijn bij elkaar. Zo on-Hóllands was Lina. Alleen al om hoe ze de kunst verstond haar hele leven niets uit te voeren en op de zak van anderen te leven.
'We nemen er nog een’, zei Lina.
'Ik moet naar huis’, zei Andrea, 'ik heb gisteren ook al nauwelijks iets gegeten.’
'Eten kun je altijd nog doen’, zei Lina, 'het café gaat om één uur dicht. Kijk daar komt Simon de Schrijver. Je gaat hem niet vragen hoe het met zijn boek staat, Andrea, je gaat hem vandaag niet de kast op jagen.’
'Hoe staat het met je boek?’ vroeg Andrea.
Simon zuchtte en veegde zijn voorhoofd met een witte zakdoek af. 'Het weer is te melancholiek om te schrijven’, zei hij klagerig. 'En het schijnt dat ik nu echt mijn huis uit moet, het is verschrikkelijk.’
'Dan moeten ze je vervangende woonruimte aanbieden’, zei Lina beslist, 'kom nou eerst maar eens rustig zitten.’ Simon hees zich onder hevig gepuf op een barkruk. Hij negeerde Andrea’s vraag hoe ver of hij was.
'Ik weet niet waar ik naartoe moet’, zei hij, 'ik kom tot niets.’
Andrea wilde hem net beginnen te sarren - dat hij in de winter ook niet kon werken omdat het in de garage waar hij woonde te koud was, en in de lente niet omdat hij dan op vriendjesjacht moest, en in de zomer… - toen ze Lina zachtjes hoorde kreunen: 'O, nee, hè.’