Feuilleton 25

Café Klok

Korte inhoud van het voorafgaande:

Waltje, die zich eenzaam voelt sinds zijn vriend er met een ander vandoor is gegaan, meende zich te moeten aanmelden als de vader van Grietjes kind. Bas biecht op dat hij heeft gebroken met Grietje.


Wendela Peper zei: ‘Ik vind het geen stijl, zoals Lot zich gedraagt.’


‘Hoe gedraagt ze zich dan?’ vroeg Andrea.


Wendela zuchtte diep en dramatisch: ‘Altijd zo bemoeizúchtig’, zei ze, ‘alsof ze de wijsheid in pacht heeft. Terwijl ze zelf geen moment buiten haar Edward kan. Het is Edward en ik en ik en Edward. Geen relatie kan aan Edward en ik tippen. Ik word nog eens gek van Edward en ik.’


‘Dat is nou echt een mooie liefde’, zei Andrea.


‘Welnee’, zei Wendela, ‘ze kan geen stap zelfstandig zetten, ze raakt meteen in paniek als haar Edward er niet is.’


Andrea keek peinzend naar de overkant van de straat waar lange Lot met hoed en al uit het zicht verdween. Ze had wel gelijk, Lot, dat Bas er niet goed aan deed zijn breuk met Grietje zo over de bar bekend te maken. Zoiets hield je binnenskamers. En zijzelf dan? Droeg zij niet, als ze iets te diep in het glaasje had gekeken, haar verdriet wild naar alle kanten uit? Ze herinnerde zich nog hoe, niet zo lang geleden, Mart naast haar was komen zitten. Vol goede bedoelingen. Dat ze zich een beetje moest beheersen, dat ze haar verdriet niet zo de vrije loop moest laten. Dat was Myra niet waard. Ze was toch omringd door vrienden, ze hadden het toch leuk met z’n allen?


Wat zou ze zich in de luren laten leggen door de Dikke? Ze zou toch voor geen prijs met Myra willen ruilen? Moest je je eens voorstellen dat je naast de Dikke in bed zou liggen? Bij die voorstelling had Andrea moeten rillen.


‘Ik heb verdriet en ik heb er recht op om lastig te zijn’, had ze gezegd en Mart had haar met stomme verbazing aangekeken, voordat hij in een schaterlach was uitgebarsten.


Wel, het was uit tussen Grietje en Bas. Erg rouwen kon niemand in het café daarom. Grietje had altijd tussen hen in gezeten alsof ze iets beters verdiende dan een stel vrolijke lapzwansen in een café. Ze had iets hoogs met muziek of zo. Ook al raakte Bas zijn viool niet meer aan, hij bleef een musicus en musici stonden voor Grietje op de hoogste drempel van het menselijk ras. Tegen de rest van de wereld keek ze met chagrijn aan.


Bas leek opgewekter dan ooit. De verbroken verloving scheen hem goed te doen. Hij torende als een pasja op zijn barkruk en de vrouwen vlogen op hem af als vliegen op de strooppot. Op de een of andere manier had Bas voor vrouwen een enorme aantrekkingskracht. Het waren zijn warmte als van een beer, zijn grootmoedigheid en prominente aanwezigheid, in welke ruimte hij zich ook bevond, die hem tot het centrum van de schepping maakten. Wie in zijn nabijheid was voelde zich veilig en belangrijk, de twee beste voorwaarden voor geluk. Nu hij van het stofnest bevrijd leek, was hij populairder dan ooit.


Naast Andrea streek Charles neer. Zoals altijd hing zijn snor treurig naar beneden, maar hij leek Andrea neerslachtiger dan ooit. Charles en zij hadden elkaar nooit zo veel te vertellen. Ze wachtte af of hij het gesprek zou openen, of dat hij alleen maar naast haar was komen zitten omdat daar de enige nog vrije barkruk was. Maar Charles zei niets. Hij zat diep gebogen over zijn glas.


‘Sinds wanneer drink jij Malt?’ vroeg ze toen toch maar.


‘Jij hebt toch ook anderhalf jaar niet gedronken?’ vroeg hij, ‘hoe hield je het toen hier uit?’


‘Het was heel goed te doen’, zei ze, ‘als het moet is het heel goed te doen. Wil je je leven beteren?’ Charles verdronk bijna in zijn alcoholvrije bier.


‘Ik ga morgen naar de dokter’, zei hij, ‘als ik aids heb, ga ik weer drinken.’