Feuilleton 30

Café Klok

Korte inhoud van het voorafgaande: Al het voorafgaande


Op een middag was net de vergadering over de bomen op het Weteringcircuit begonnen, toen Andrea binnenkwam.


‘Hou maar op’, zei ze en ze zwaaide met wat papieren, ‘hou maar op, het is met ons gedaan. We moeten ophouden te bestaan.’


‘Wat bedoel je?’ vroeg Bas. Andrea gooide het stapeltje papier op de bar en las voor van het bovenste velletje:


‘Beste, zeer gewaardeerde Andrea, Van je cafégenoten moet je het maar hebben. Henk Wolzak heeft een kritische mening over het Paulusbeeld in je De tweede man. Het lijkt mij de moeite waard om het te publiceren, waarbij ik je graag een weerwoord gun, wat W. trouwens zelf ook op prijs zou stellen. Zullen wij morgen even bellen? Dan kunnen wij ook even overleggen over Café Klok. Op 19 april gaan wij tot ons andere formaat over, waarvoor ik eigenlijk een nieuw feuilleton heb gereserveerd. Mits je natuurlijk in de komende vier afleveringen tot een mooie, afsluitende apotheose kunt komen. Gaat het je verder goed? Hartelijke groet, Martin van Leersum.’


Het bleef even stil. Toen zei Lina: ‘Moeten we in vier weken ophouden te bestaan? Dan kunnen we net zo goed meteen gaan hangen.’


‘Hoezo cafégenoot?’ vroeg Bas korzelig, terwijl hij de brief nog eens overlas. ‘Die man is nog nooit in Café Klok binnen geweest.’


‘Begrijp je?’ zei Andrea vermoeid. ‘Ze hebben er genoeg van. Ze willen ons niet meer.’


‘Zo maar? Zonder slag of stoot?’ vroeg Mart. ‘Of hebben ze al eerder laten weten genoeg van ons te hebben?’


‘Zomaar’, zei Andrea, ‘afgelopen augustus werd ik nog op alle bruggen van Amsterdam door Martin van Leersum gekust, of ik alsjeblieft, alsjeblieft een feuilleton van ons wilde maken. “We maken er de mooiste pagina van de krant van”, zei hij. En nu dit.’


‘Acht maanden’, zei Wendela Peper met stijgende verontwaardiging in haar stem, ‘we mogen acht maanden leven en dan worden we alweer terzijde geschoven. Dat kán helemaal niet. We waren toch geen losse columns? Wat doe je nu?’


‘Ik heb aldus geantwoord’, zei Andrea en ze las weer voor: ‘Beste Martin van Leersum, Dat je derlui niet kunt vertrouwen wist ik sinds lang. Maar dat iemand het lef heeft om een feuilleton — waarin je langere lijnen uitzet, waarmee je een bedoeling van langere adem hebt — tussen neus en lippen af te schaffen, tart mijn verstand.


Acht maanden geen woord van wanklank gehoord. Geen overleg of ik misschien na de zomer…; geen gesprek over dat ik misschien een andere richting…; geen voorstel voor stukken van een langere adem… Niets van dat alles. Alleen een querulanterig stuk van Henk Wolzak (waarom denkt die man toch dat ik wetenschap bedrijf? Ik ben al 25 jaar schrijver!) en een mededeling dat ik als de sodemieter moet zorgen mijn zorgvuldig opgebouwde feuilleton binnen vier weken af te ronden.


Dit doet geen hoofdredacteur ter wereld je na, geloof me.


Je mag blij zijn dat ik die vier weken niet gebruik om een zekere hansworst in driedelig maatpak Café Klok te laten binnen stappen, waar hij met negentiende-eeuwse nep-eruditie en studentikoze anekdotiek de Klokgangers zo gek maakt dat ze hem met z’n allen verzuipen in een glas jenever. Nu laat ik je dat zelf opknappen.


En let op jongen, Gods wegen zijn obscuur en zelden aangenaam.


Tabee, Andrea.


PS. Zo Martin, dit was de eerste. Er volgen er nog drie.’


Andrea zweeg en vouwde haar brief op. ‘Heel goed’, zei Mart en de anderen hieven het glas op haar.


Alleen Charles deed niet mee met het algemeen plezier. Hij riep Marcella om een kopstoot. ‘En hoe moet het dan met mij?’ vroeg hij. ‘Moet ik dan nu plotseling binnen drie weken dood?’