Feuilleton 28

Café Klok

Korte inhoud van het voorafgaande:
Bas en Mart hebben een kleine woordenwisseling over Bas’ geweigerde vaderschap. Lina en Peter Hek hebben een gedrogeerde nacht doorgebracht.


‘Niet’, antwoordde Andrea, ‘mijn drugsverleden ziet er niet uit. Twee of drie keer hasj gerookt, net als Bill Clinton, dat is alles.’


‘Moet je dat van mij toch eens proberen’, teemde Peter Hek, ‘je weet niet wat je meemaakt.’ Zeker net zo’n slappe dweil worden als jij, dacht Andrea. Ze had er genoeg gezien, de oude hippies die aan de hasjpijp waren blijven hangen. Oude grijze mannen en vrouwen waren ze geworden, de bloemenkinderen van weleer die niet op tijd het roer hadden omgegooid, met een huid als een vaatdoek, spieren die de brug niet meer haalden en een hoofd dat nooit meer op orde kwam.


‘XTC van deze kwaliteit is echt wat anders’, zeurde Peter Hek. Lina droomde haar droom van grote rijkdom. Andrea wendde zich af. Ze keek over de bar heen recht in het gezicht van Charles. Die leek niemand te zien. Met holle ogen zat hij boven zijn glaasje jenever, niet aanspreekbaar, ronddwalend in gebieden waar de Klokgangers geen weet van hadden. Foute boel, dacht Andrea. Charles heeft het definitieve bericht van zijn arts gekregen, wat moet ik doen? Weten de anderen het? Moet ik Bas erover inlichten? Charles is zich werkelijk aan het verzuipen in de jenever. Precies wat hij voorspelde dat hij zou doen, als de uitslag van zijn dokter zou zijn wat hij verwachtte. Mijn God, Charles is een tijdbom.


‘Hoe gaat het met je hoest?’ vroeg ze in plaats daarvan aan Lina. Lina ontwaakte uit haar droom en verslikte zich bij wijze van antwoord in een geweldige hoestbui. ‘Heel goed’, hijgde ze, ‘ik voel me on top of all smokeys.’ Het duurde even voor ze de volgende vraag kon stellen: ‘Heb jij je nog met Waltje bemoeid, de laatste tijd?’ Ze haalde met moeite de lange zin.


Dat is waar ook, dacht Andrea. Ik heb Waltje al een tijd niet gezien. Als ze ook niet iedereen in de gaten hield, liep alles in het honderd. ‘Heeft iemand nog Waltje gezien, de laatste tijd?’ riep ze over de bar.


Vanuit de hoogte van de entresol kwam de stem van Lange Lot. Ze hield met één hand haar grote witte hoed vast, terwijl ze over de balustrade leunde en nadrukkelijk zei: ‘Ik heb Waltje aangeraden hier voorlopig niet te komen. Jullie maken toch allemaal soep van hem.’


‘Waltje heeft zijn intrek genomen in Café Mulder’, zei de dronken advocaat lispelend. ‘Ik ontmoet hem daar ’s middags.’


‘Als jij je ergens mee bemoeit gaat het geheid mis,’ zei Wendela Peper bits tegen Lange Lot.


‘Ik probeer hem een andere kijk op het leven bij te brengen’, zei Lange Lot, ‘help, moedertjelief nu heb ik het weer gedaan.’


Het gaat fout, dacht Andrea, het gaat fout met ons allemaal. Charles en Waltje en nu nog die bemoeienis van Lange Lot, die natuurlijk enkele ‘therapeutische’ gesprekken met hem heeft gehad — en aan Lina heb ik ook niets zolang ze onder de rotzooi zit. Ze hield haar handen voor haar oren. Ze wilde niet horen hoe Wendela en Lange Lot elkaar in de haren vlogen.


‘Geef toe, geef toe!’ riep Lange Lot en Andrea wilde niet weten wat er nu weer toegegeven moest worden. Ze probeerde aan iets leuks te denken. Bijvoorbeeld aan de krokussen op het Weteringcircuit, die nu in volle bloei stonden, ook al joegen de maartse hagelbuien langs de caféruit. Witte en paarse krokussen dit jaar, een heel veld vol. Ze had beter een ander onderwerp kunnen nemen om op te vrolijken, want de deur zwaaide open en Simon de Schrijver riep al vanaf de drempel: ‘Hebben jullie het gezien? hebben jullie het verdomme gezien?’


‘Wat kezien?’ vroeg Marcella, ‘doe de tuur diecht!’