Café klok

Korte inhoud van het voorafgaande:
Terwijl Bas genoeglijk over het Rokin kuiert, komt Floor, de hond van Andrea, hem met riem en al voorbij stormen. Bas zet de achtervolging in. Floor rent het station in. Bas weet wat junks om te kopen en de hond voor hem te laten vangen. Als hij met Floor het café binnenkomt, denkt hij als een redder in de nood te worden ontvangen.

Ze hadden Waltje eropuit gestuurd om Floor naar Andrea te brengen. Hij zou zich helemaal kunnen inleven in de rol van reddende engel. De anderen keken hem met bezorgde gevoelens na, toen hij door Floor met een ruk over de drempel werd getrokken. Zolang Waltje de lijn maar vasthield zou hij wel worden voortgesleurd.
‘Niet loslaten!’ riepen ze hem nog na.
Bas hees zich op zijn vaste plaats en stalde een aantal plastic tassen voor zich uit op de bar. Die tassen bleven daar altijd net zo lang staan totdat iemand hem vroeg wat hij die middag weer had ingeslagen. Meestal bleken het delicatessen.
'Kijk’, zei hij en draaide met moeite een potje open dat hij uit een van de tassen opdiepte, 'ruiken jullie eens, heerlijke porcini van Feducci.’ Hij liet het open potje rondgaan.
'Getver’, zei Mart, 'dat stinkt! Wat ga je daar in godsnaam mee doen?’
'Echte parmaham’, ging Bas onverstoorbaar door terwijl hij allerlei pakjes over de bar uitspreidde, 'verse tagliatelle, wat gedroogde tomaten, tomatenaus met basilicum.’
'Wiel jij nok wat trinken? Of wiel jij hier wienkeltje sjpielen?’ vroeg Marcella.
Bas pakte pakje voor pakje uit zonder op Marcella te letten. 'Porcini eerst weken’, zei hij, 'ze moeten tot volle smaak wellen, de parmezaanse kaas grof raspen, niet vergeten de knoflook, véél knoflook.’ Hij wreef in zijn handen en bekeek zijn uitstalkast met welgevallen. Lina draaide met afgewend hoofd het dekseltje weer op het potje porcini. Ze moest niet aan eten denken nu, ze moest er nooit aan denken. Het geld dat overbleef na de taxi en het verpozen in Café Klok ging op aan chips met mayonaise, haar gebruikelijke dieet.
'Hoe is het met je hand?’ vroeg ze. Bas strekte zijn enorme hand uit en keek ernaar. 'Slecht’, zei hij som ber, 'ze willen nog niet opereren. Het zal wel altijd zo blijven. Bij het opstaan doet hij pijn. Hij tintelt de hele dag. Ik kan er nog geen fles mee openkrijgen. Ik doe het nu zó.’ Hij vroeg Marcella een flesje wit bier en demonstreerde hoe hij het met behulp van één hand open kon maken. 'Spelen zit er voorlopig niet in.’
Een jaar of vijf geleden was die geschiedenis met zijn hand begonnen, eigenlijk omstreeks dezelfde tijd dat hij zijn baan bij het Noord-Hollands Filharmonisch Orkest verloor. Eerst had hij nog genoeg schnabbels gehad om van te leven, maar al gauw had de hand hem zo regelmatig last bezorgd dat er van oefenen te weinig kwam. Het bracht hem regelmatig in moeilijkheden met de ambtenaren die niet wisten of ze hem nu in de WW of in de WAO moesten plaatsen.
'Over spelen gesproken’, zei Mart, 'denken jullie dat Aknaton vanavond nog komt? Ik zit hem al een paar dagen achter zijn vodden. Hij zou een paar liedjes voor ons maken.’
'Om zelf te zingen?’ vroeg Lina.
'Nee, nee’, zei Mart vlug. Aknaton in zijn show. Dat zou een regelrechte ramp zijn. 'Nee’, zei hij, 'ik wil dat hij een paar teksten schrijft. Die man heeft zo'n feilloos gevoel voor teksten. Ik wou hem weer eens aan het werk hebben. Hij had er zin in, zei hij.’ 'Aknaton heeft overal zin in, als je er maar niet voor hoeft te werken’, zei Bas.
'Hij heeft meer platen gemaakt dan jij’, zei Lina. Bas stak dramatisch zijn hand de lucht in. 'Hoe kan een geniaal violist nu platen maken met zo'n hand?’ vroeg hij ongelukkig.
De moeilijkheid met Bas was, bedacht Mart peinzend, dat je als je hem zag lopen dacht: daar gaat een geniaal violist. Maar als je hem zag spelen, dan dacht je: daar speelt Bas.
'Misschien’, zei Mart, 'misschien moet je bij ons eens als “Stehgeiger” optreden.’ Er viel een pijnlijke stilte.