Café klok

Korte inhoud van het voorafgaande:
Gedurende de zomer hebben de vrienden van Café Klok gezellige avonden gehad met de gemeentewerkers van de opgebroken Vijzelstraat. De spanning in de verhouding tussen Andrea en barkeepster Marcella is om te snijden.

Ik ga niet, dacht Andrea ’s(morgens al om elf uur, ik ga vandaag gewoon niet. Het was de zoveelste keer dat ze zo'n besluit nam, maar ze voelde zich er iets beter door. Er lagen nu zeeën van tijd vóór haar en even had ze het gevoel dat ze vakantie had.
Ze werkte de hele middag gestaag door en de klok tikte rustig de uren weg. Voor ze er erg in had was het vier uur. Tevreden zette ze een punt achter wat ze had geschreven. Er moest nog wat te eten in huis worden gehaald, Albert Heijn was om de hoek. Ik ga in ieder geval niet als eerste, dacht ze en begon koppig wat reclamefolders te lezen. Er werden goedkope luxaflex aangeboden en hoewel ze wist dat het toch hetzelfde liedje zou zijn, begon ze de maat van de twee ramen aan de voorkant op te nemen. Het paste niet. Het paste nooit als het goedkoop was.
Het was een prachtige septemberdag. In haar tuintje waren de hortensia’s uitgebloeid, maar het was te warm om in de volle zon te gaan zitten. Ze keek op de klok. Ze was te vroeg opgehouden vandaag, er was niets meer te doen.
Toen ze de deur achter zich dichttrok, was het toch nog vijf uur geworden. De mensen op straat liepen in korte broek en dunne hemdjes. De meesten aten een zak friet of een broodje. Vreemde, onsmakelijke gewoonte om op straat te eten. Bij Albert Heijn zag ze lange rijen voor de kassa’s. Dat moest nog maar even wachten.
Het was bijna een duik waarmee ze Café Klok binnenkwam. Het donker viel weldadig om haar heen. Het was er nog koel, er hing nog de biergeur van de vorige avond. Marcella was in geen velden of wegen te bekennen. Ze was toch nog de eerste.
Andrea nam plaats achter de bar en herinnerde zich voor de zoveelste keer hoe ze voor het eerst in Café Klok verzeild was geraakt. Ze was verhuisd van de ene kant van de Vijzelgracht naar de andere kant. Het was een bijna niet te nemen barrière geweest, de trambaan van de Vijzelstraat. Je ging een ander stadsdeel binnen, weg van het vertrouwde Ons Dorp van de Weteringbuurt. De verhuiswagen was voor haar uit gereden. Zijzelf was te voet verhuisd met de poezenmand in haar ene, de telefoon in haar andere hand.
Toen ze de poezen in haar nieuwe huis had afgeleverd en de telefoon in het contact had gestopt liet ze de verhuismannen hun gang gaan. Ze was even om de hoek gelopen om een koffie te drinken in een café waar ze langs was gekomen. Het leek haar er wel aardig. Haar eerste woorden in Café Klok waren geweest: ‘Dit is een uitstekende bar hoogte!’ alsof ze de kenner bij uitstek was.
Maar het was waar. De hoogte van de bar was precies goed, bedacht ze nu. Maar goed waarvoor? Gewoon, niet te hoog en niet te laag. Als je eraf donderde, brak je niet meteen je nek en als er iemand achter je stond, kon die over je hoofd heen makkelijk een bestelling plaatsen. Niemand hoefde zich naast je te wurmen. Daar was het café ook veel te klein voor. Je stelde je hier in twee rijen achter elkaar op en dan was het vol.
Ze hoorde Marcella vanuit de kelder naar boven stommelen.
'Dag Andrea’, zong die, 'jij wiel zeker een klaas roodwijn?’
Andrea knikte en keek door het grote raam naar de voorbijgangers in de zon. O, wat haatte ze dat mens! Wat haatte ze haar!