Café klok

‘Kun je me een tientje lenen?’ vroeg Lina zachtjes aan Mart. Ze keek schuin opzij naar de anderen. Het was haar vijfde tientje deze avond. Aan Andrea had ze er zelfs twee gevraagd, één in het begin en een halverwege de avond. Ze was er zeker van dat haar beste vriendin het niet had gemerkt. Als die eenmaal in gesprek was met die lange Lot die in Poona was geweest, dan kon je haar de hele avond niet meer bereiken.

Wat hoorde ze nu weer?
‘Het is je moeder’, riep de lange terwijl ze haar armen wijd uitspreidde als een zwaan, 'het is je moeder Andrea, neem dat van mij aan.’
Lina had bezorgd haar geld zitten tellen. Veel was het niet, tweeëntwintig gulden en dertig cent, net genoeg voor een taxi. Hoe ze het eind van de maand moest halen, was haar een raadsel, maar tot haar grote voldoening loste dat raadsel zich altijd vanzelf op. Het was geen raadsel, het was mirakels.
Maar nu was het bij haar binnenkomst al mis geweest.
'Iek schenk jou niet’, had Marcella gezegd, 'jei gaat wek zonder betalen, gisteravond. Dat zal jou duur komen vanavond.’
Tot nu toe had ze op anderen kunnen drinken, maar het was nu weer eens haar beurt. Als Aknaton niet kwam zou ze na sluitingstijd naar De Limiet moeten, het nachtcafé in de Reguliersdwars. Daar zou ze hem misschien nog kunnen treffen. En als hij er niet was zou ze er toch blijven hangen, wist ze. Er waren altijd wel andere mensen die de nacht dóór wilden hangen.
Ze snapte Andrea niet, waarom ze nooit meeging. Andrea was misschien de enige van de mensen hier die geen vaste baan hadden, die steevast ’s ochtends aan het werk was. De rest sliep uit. Er waren er trouwens heel wat die van een uitkering leefden, ze was heus niet de enige. Alleen, als ze het binnenkreeg was het binnen de kortste keren op. Ze kon eenvoudig niet met geld omgaan. Ze had het nooit geleerd. In haar jeugd was Pappie zo stinkend rijk geweest dat ze zich nooit om iets hoefde te bekommeren. En de erfenis later had ze er binnen twee jaar doorheen gejaagd door elke dag in hotel De Koning open huis te houden. Gouden tijden waren dat. Ze was er arm als een kerkrat uitgekomen, maar ze had er ook veel krediet bij haar vrienden mee verworven.
'Natuurlijk schat’, zei Mart en hij reikte haar over het houten hekje van de verhoging een tientje aan zonder zijn gesprek met Wendela Peper te onderbreken.
Ze zuchtte. 'Een zucht vol lucht, een hart vol smart’ had haar overleden moeder te pas en te onpas gezegd. Ze had het nooit kunnen uitstaan, al die gezegden van haar moeder. Volgens Andrea haspelde ze alle uitdrukkingen door elkaar, om over het graf heen nog met haar moeder te vechten. Allemaal onzin. Zij was Pappies kind geweest.
'Ik?’ hoorde ze plotseling Andrea tegen Marcella schreeuwen, 'ik??’
'Jij ja’, gilde Marcella met haar schelle stem, 'jij brengt kiesternacht bier naar boiten, en ik heb de politie op main dak.’
'Nou heb ik het weer gedaan’, schreeuwde Andrea. Lina was meteen weer bij de les. Marcella en Andrea, dat boterde niet, dat boterde nooit. Marcella schreeuwde altijd, met haar snerpend Zwitsers stemgeluid, Maar als je Andrea woedend kreeg, bergde je dan maar.
'Niet reageren, Lena’, zei ze sussend tegen haar vriendin die nu was opgestaan. Maar Andrea was al woedend weggebeend.
'Krijg de jodelziekte, alpenwijf!’ riep ze en weg was ze. Lina grinnikte om de scheldwoorden en om Wendela Peper, die haar armen in een dramatisch gebaar machteloos naar de vertrekkende Andrea uitstrekte.