Café klok

Tegen sluitingstijd kwamen de nachtelijke werkers, die zomer.

Ze waren al van verre te horen. Blauwe zwaailichten begeleidden hun komst. Ze liepen door de weken geleden gegraven loopgraven, ver beneden het wegdek van de Vijzelstraat. ‘Niet met de klazen naar bojten!’ riep Marcella en als het aan haar lag had ze meteen de deur op slot gedraaid. 'Horen jullie het, jongens?’ bulderde Bas op volle kracht, 'Marcella wil niet dat jullie met je glas naar buiten gaan. Absoluut niet!’ Hij bleef zitten waar hij zat en strekte zijn hand met zijn glas naar Marcella uit. Ze hield het onder de bierpomp en vermorste meer dan de helft. De paniek stond in haar ogen. Bas amuseerde zich. Hij had in ieder geval ieders aandacht gericht op wat er buiten te gebeuren stond. De mensen achterin het café staakten hun gesprek en stonden op om te kijken wat er aan de hand was. Degenen bij het grote raam op de vensterbank tikten en bonsden op de ruit om de aandacht van de werkers buiten te vangen. 'Mein rojt!’ gilde Marcella. 'Marcella is bang voor haar ruit jongens!’ bulderde Bas. Het zou niet de eerste keer zijn dat de grote ruit van Café Klok aan diggelen ging. De warmte binnen was nauwelijks te harden. De kleine open deur kon niet genoeg frisse lucht binnen laten als het zo vol was. Het zou er wel stinken, maar wie binnen zat had daar geen last van. Het was een van de eigenaardigheden van dit café, overdacht hij, dat heel Amsterdam op een zomer als deze zijn toevlucht nam op de terrassen, maar dat de vaste vrienden van Café Klok er niet over peinsden een koelere plek te zoeken om te drinken. Weersomstandigheden deden er niet toe bij Café Klok. Wie daar naar binnen ging, ging om te lijden. 'Geef die mannen een rondje van mij, Marcella’, zei de dronken advocaat. Hij lispelde als hij dronken was. Hij lispelde altijd. Bas zag dat Marcella aarzelde. Ze wilde het liefst het café meteen dicht gooien, maar in haar ogen begonnen de dollartekens te glimmen. 'Geef eerst iedereen hier maar een rondje van mij’, zei hij geruststellend, 'jij Andrea? Lina? Ferdy? En Aknaton? Akanton???’ brulde hij. 'Vijf bier’, zei Andrea snel en ze pakte de glazen aan en gaf ze door richting deur. 'Voor de mannen’, riep ze, 'voor de nachtelijke werkers buiten.’ 'Bier!’ brulde iemand buiten op straat, 'bier! Hier!’ 'Iek hep doch keen verkunnig bojten!’ riep Marcella radeloos terwijl haar handen als een bezetene bier pompten, 'iek krijk doch last miet de polizei’. 'Laat de politie maar aan mij over’, zei Aknaton plechtig terwijl hij een dienblad vol glazen bier opstelde, 'ik zal eens een aardig woordje met de politie wisselen. In deze temperaturen moet een mens ’s(nachts werken. Politie!’ riep hij terwijl hij het dienblad doorgaf, 'waar is de politie?’ Hij sprak het laatste woord met een hoog, komisch stemmetje uit. Bas hoopte eigenlijk dat er politie zou komen. Hij zou ze wel eens willen zien als Aknaton tegen hen begon aan te praten, de beroemdste Nederlander aller tijden met een overredingskracht om iedereen collectief gek te krijgen. Als de emoties te hoog zouden oplopen, zou hij tussenbeide komen en rustig de zaak uitleggen. Hij zag dat Andrea aan de overkant van de Vijzelstraat gezellig met de werkers in de lichtgevende vesten stond te drinken. Lina, die net als hij was blijven zitten, schaterde het plotseling uit, een lach die snel overging in een rauw gehoest. Ze wees proestend en hoestend naar buiten. Aan de overkant was een politieauto aan komen rijden.