Koning Artur was geen koning

Camelot in vogelvlucht

De Da Vinci Code is fictie. Christus is niet écht de stamvader van het oude Franse koningshuis en de Heilige Graal bestaat niet. Hoe zit dat met koning Artur? Een tentoonstelling toont wat er van de verhalen rond Artur en zijn Tafelronde waar is, en wat ervan in Nederland als literair erfgoed bewaard is gebleven.

Omstreeks het jaar 1090 gaf een Vlaamse edelman, Razo van Melle, zijn vierde zoon een naam die in 1118 in de spelling Vualauuaynus in een oorkonde verscheen. In deze vorm is zonder moeite de naam van koning Arturs neef, Walewein, te herkennen. Voor zover bekend is deze naam geving het vroegste bewijs van de aanwezigheid van koning Artur in de geest van bewoners van de Lage Landen. Wat kan Razo van Melle op het idee hebben gebracht zijn zoon Walewein te noemen? Wie zich dat afvraagt, moet allereerst bedenken dat het geven van een naam in het verleden een zaak van groot gewicht was: de naam legde immers een bijzondere spirituele relatie tussen de ontvanger van de naam en de persoon die eerder dezelfde naam had gedragen. Verder moet worden bedacht dat er anno 1090 nog geen sprake kan zijn geweest van Arturromans. De vroegste representanten van dit genre verschijnen immers pas in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Ook van geschiedschrijving over koning Artur en zijn entourage is aan het eind van de elfde eeuw nog geen sprake.

Razo’s besluit om zijn zoon Walewein te noemen past in een historische context waarvan de grote lijnen als volgt kunnen worden geschetst. Toen in 1066 de Normandische hertog Willem naar Engeland overstak om zijn aanspraken op de Engelse troon gewapenderhand te verwezenlijken, maakte een belangrijk contingent Vlaamse edelen deel uit van zijn expeditieleger. Hun medewerking aan de expeditie kon gedeeltelijk verklaard worden door hun connecties met Willems echtgenote Mathilda, die een dochter was van de Vlaamse graaf Boudewijn V (de overlevering dat zij de hand zou hebben gehad in het borduren van het Tapijt van Bayeux is overigens beslist apocrief).

Willem de Veroveraar heeft deze Vlamingen op genereuze wijze voor hun participatie in de verovering van zijn rijk beloond. Zo werd Gilbert van Gent, een streek- en generatie genoot van Razo van Melle, als heer van Folkingham beleend met uitgestrekte gebieden in het noorden van Engeland. Er is zelfs sprake van iets als een Vlaamse volksplanting in Northumbrië en onder Willems opvolger Hendrik I wordt een groep Vlaamse kolonisten uit Northumbrië overgeplaatst naar het district Rhos in Pembrokeshire in Wales.

Waar blijft Walewein in dit verhaal? De twaalfde-eeuwse geschiedschrijver Willem van Malmesbury weet te melden dat tijdens de regering van Willem de Veroveraar in het district Rhos nabij de zee het graf van Walwen, Arturs beroemde neef, de zoon van diens zuster, werd ontdekt. Het skelet van de held was veertien voet lang. Deze Walwen had geheerst over een gebied in het noorden van Brittannië, Walweitha (Galloway?). Hij zou na een heroïsche strijd uit dit gebied zijn verdreven door de verwanten van de Germaanse indringer Hengistus, waarna hij bij een schipbreuk was verdronken. Zijn lijk zou op de kust van Rhos zijn aangespoeld. Er zijn aanwijzingen dat de vondst van dit graf van Walwen van hogerhand in scène is gezet en dat de ontdekking van het graf in Rhos beschouwd moet worden als een onderdeel van een doel bewuste publiciteitscampage van de Anglo-Normandische heersers in hun dynastieke wedijver met de Franse koningen. Voor de nieuwkomers op de Engelse troon betekende de Keltische vorst Artur een waardevol stuk in het dynastieke schaakspel. De Franse koningen lieten zich voorstaan op een bijzondere relatie met Karel de Grote, hun voorganger op de troon. Naast Charlemagne rees de indrukwekkende gestalte van diens neef Roland op, de held van Roncevaux, de tragische hoofdpersoon van het Chanson de Roland. Aan het eind van de elfde eeuw was in het Zuid-Franse Blaye het graf van Roland gevonden. Ook hierbij was sprake geweest van een «invented tradition»: een doelbewust gecreëerde trekpleister voor de pelgrims op weg naar Santiago. De vrijwel gelijktijdige ontdekking van het graf van Walewein in Rhos laat zich interpreteren als een dynastieke tegenzet: ook deze held was een neef van zijn vorst, ook deze held had zijn trouw aan zijn oom met de dood moeten bekopen. Roland was gevallen in de strijd tegen een overmacht van Saracenen, Walewein had zich heldhaftig verweerd tegen een overmacht van heidense Germanen. Als Razo van Melle omstreeks 1090 zijn zoon Walewein noemt, heeft hij daarmee een verband willen leggen tussen zijn zoon en een grote held uit het verleden, een held die recent op de voorgrond was gekomen door de verovering en kolonisatie van Engeland en Wales, waar bij Vlamingen een belangrijke rol hadden gespeeld.

Langs welke weg en in welke vorm Razo de overlevering omtrent figuren als Artur en Walewein had leren kennen, blijft nog onduidelijk. Even legitiem is de vraag wat zich volgens de huidige opvattingen werkelijk heeft afgespeeld in de tijd waarin Artur en Walewein zouden hebben geleefd. Daarvoor moeten we ons verplaatsen naar een periode die zes eeuwen eerder ligt. Toen de Romeinen aan het begin van de vijfde eeuw hun garnizoenen uit de provincie Brittannia hadden teruggetrokken, kreeg de deels gekerstende Keltische bevolking van Brittannië te maken met een nasleep van de grote volksverhuizingen: groepen settlers uit de gebieden aan de overzijde van de Noordzee vielen het land binnen en veroverden grote gebieden waar zij zich definitief vestigden. Het ging hierbij niet alleen om de welbekende «Angelen en Saksen» uit de geschiedenisboekjes, maar ook om Juten, Friezen, Franken en zelfs Zwaben. De invasies voltrokken zich niet op één moment, maar met soms lange tussenpozen. In de reeks oorlogen die rond deze «Landnahme» gevoerd zijn, heeft zich rond het jaar 500 aan de Britse zijde een groot militair leider onderscheiden, die de in drin gers in een reeks campagnes tot staan wist te brengen, tot hij in een laatste veldslag sneuvelde. In de schaarse, vaak tantaliserend korte en cryptische berichten van vroeg-middeleeuwse kro niekschrijvers over deze gebeurtenissen wordt deze aanvoerder met de naam Arthurus aangeduid. De his to rische Artur is dus zeker geen koning geweest; de bronnen noemen hem slechts dux bellorum, «aanvoerder in de oorlogen».

Arturs finale nederlaag betekende de defi ni tieve on dergang van de Brits-Keltische koninkrijkjes op het grondgebied van het huidige Engeland. Slechts in de «Far West» van Brittanië, in Wales en Cornwall, bleven de oude politie ke, sociale en culturele structuren, althans ten dele, nog intact. In de herinnering van de verneder de Britten bleef de geliefde ge neraal voortleven, in letterlijke zin: men was ervan overtuigd dat hij niet gesneuveld was, maar was verdwenen van het slagveld – op bovennatuurlijke wijze weg gevoerd om ooit, in een betere toekomst, zegevierend terug te ko men om de Britten in hun oude glorie te herstellen. Uit allerlei aanwijzingen en indirecte gegevens kunnen wij opmaken dat de rond 510 gesneuvelde dux bellorum in de eeuwen na zijn dood in de orale tradities van de Keltische bevolking is uitgegroeid tot een figuur van mythische proporties, een machtige koning van Brittannië, een sprookjesvorst, hofhoudend te midden van een entourage van beroemde helden, die vaak met bovennatuurlijke of magische eigenschappen zijn begiftigd. Het is dit complex van orale tradities, dat zich weerspiegelt in de Welshe Mabinogion-verhalen, in het bijzonder in die parel van Welshe verhaalkunst, Hoe Kulhwch Olwen tot bruid wist te winnen.

Dit omvangrijke en wijdvertakte complex van orale verhaalstof van Brits-Keltische herkomst ligt aan de basis van het repertoire van de professionele verhalenvertellers die de Anglo-Normandische aristocratie, maar al gauw ook hun familieleden en standsgenoten op het Continent, onderhielden met hun vertellingen over de Britse helden uit het verleden. Geheimzinnige, tragische, nostalgische, intrigerende verhalen, verhalen die zo geheel anders waren dan die over de helden uit de Oudheid of over Karel de Grote en zijn paladijnen. De activiteiten van deze professionele vertellers zijn op het Continent vanaf het einde van de elfde eeuw aanwijsbaar, maar van de aard van hun kunst, van de vormgeving en de uitvoering van hun voordrachten (met of zonder muzikale begeleiding), kunnen wij ons maar een zeer gebrekkige voorstelling maken. De vluchtigheid, de intrinsieke «onduurzaamheid» die eigen is aan de orale kunst, speelt ons telkens weer parten als wij trachten te peilen wat de grote twaalfde-eeuwse dichters die zich bij de creatie, de teboekstelling en de verbreiding van hun werken van het schrift bedienden, hebben ontleend aan het repertoire van de in meerderheid ongeletterde beroepsvertellers. Waarschijnlijk zijn wij niet ver bezijden de waarheid als we dit repertoire beschouwen als de voedingsbodem waarop geletterde Franse schrijvers hun fantastisch bloeiende, nooit eerder geziene literaire gewassen hebben geteeld. Ik noem hier slechts de namen van Chrétien de Troyes, de geniale schepper van het genre Arturroman, van Marie de France, de hart veroverende dichteres van korte vertellingen-in-verzen die zij lais noemde, en van de onderling zeer verschillende dichters Béroul en Thomas, aan wie wij de vroegste Tristanromans danken.

Misschien wel de allerbelangrijkste innovatie die het nieuwe genre van de Artur roman introduceerde, is de ontdekking van fictie als literair procédé. Had bij de oudere middeleeuwse verhalende literaire genres de schrijver steeds ingestaan voor de waarheid van zijn verhaal door middel van een verwijzing naar een schriftelijke bron, bij de Artur roman moest de geloofwaardigheid van het verhaal op een andere wijze aannemelijk worden gemaakt. Als fictie beschouw ik een verhaal waarvan de handeling enerzijds zoveel op de werkelijkheid lijkt dat men zou kunnen geloven dat het waargebeurd is, terwijl men als hoorder of lezer zich er anderzijds van bewust is dat het om een verzonnen verhaal gaat. Fictie is een make-believe game, een spel dat wordt gespeeld door de toehoorders of lezers die, in de ban van het verhaal, doen alsof, of zichzelf wijsmaken dat zij zich in de wereld van het verhaal bevinden en emotioneel betrokken raken bij wat daar gebeurt – terwijl zij intussen heel goed weten dat die wereld niet «echt bestaat». De toehoorders of lezers van een fictioneel verhaal are having it both ways.

Chrétien de Troyes is een van de eerste middeleeuwse dichters, misschien wel de eerste, die heeft doorzien welke mogelijkheden het principe van de fictionaliteit biedt voor de constructie van een roman. In de proloog van zijn eerste roman, Erec et Enide, beroept hij zich erop dat hij uit een avonturenverhaal, dat door de professionele vertellers uit het orale circuit verward en verbrokkeld wordt verteld, een fraaie constructie (une molt bele conjointure) heeft weten te smeden om op deze wijze, door middel van deze structuur, de diepere zin van het verhaal aan het licht te brengen. Het is een formule die meer dan achthonderd jaar na Chrétien zijn geldigheid nog steeds heeft behouden.

Nieuw zijn ook de grote thema’s die in de twaalfde-eeuwse Arturroman voor het eerst duurzaam gestalte krijgen, gesitueerd in de fantasiewereld van Logres, het land van koning Artur. Ik noem hier slechts het thema van Arturs hof met de Ronde Tafel, het thema van het avontuur, het thema van de queeste, de zoektocht die een reeks beproevingen met zich meebrengt en die vaak ook een louterend, zelfkennis-genererend effect heeft. Het thema van de Liefde verbindt zich vaak met dat van Fortuna of het Lot. En dan is er het thema van de Graal, in Chrétiens Perceval-roman een geheimzinnig sacraal voorwerp, een schotel die een rol speelt in een raadselachtige litur gische processie; bij Chrétiens jongere tijd genoot Robert de Boron een heilige relikwie: de kelk van het Laatste Avondmaal waarin Joseph van Arimathea het bloed van de Gekruisigde heeft opgevangen. Wolfram von Eschenbachs Parzival kent de Graal niet als een schotel of kelk, maar als een wonderbaarlijke steen. In de dertiende-eeuwse prozaroman La queste del Saint Graal wordt de Graal een concrete ma ni festatie van de Genade Gods op deze aarde.

De onuitputtelijke verhalen over Lancelot en Genovere, over Perceval, Walewein, Keye, Merlijn, Tristan en Isoude, zijn na de Middeleeuwen mee blijven reizen in de geestelijke bagage van de westerse mens, en zij doen dit tot de huidige dag, zoals blijkt uit een boeiende tentoonstelling in de Amsterdamse Bibliotheca Philosophica Hermetica. De zoektocht naar de Graal en de ondergang van Arturs rijk blijken ook in moderne bewerkingen hun vermogen te behouden om de aspiraties en de ontgoochelingen van de condition humaine uit te beelden. Dit geldt voor het werk van – onderling sterk verschillende – schrijvers als Malory, Tennyson, Mark Twain, T.H. White en Marion Bradley in de Engelstalige traditie, maar evengoed voor Wagner, Tankred Dorst en Dieter Kühn in de Duitse, en bij ons voor Couperus, Lampo en Brakman. In eigentijdse Graalverhalen, zoals Eco’s De Slinger van Foucault en de recente theologico-feministische thriller van Dan Brown, wordt de oude thematiek geactualiseerd.

De tentoonstelling in de BPH laat zien wat van de «matière de Bretagne», zoals men de verhalen rond koning Artur en zijn Tafelronde samenvattend aanduidt, in Nederland in materiële zin als literair erfgoed bewaard is gebleven. Het gaat hierbij, onder veel meer, om enkele prachtig verluchte Franse hand schriften uit de collectie van deze bibliotheek, om handschriften en vroege drukken van belangrijke niet-Nederlandse Arturteksten, en daarnaast om de vrijwel complete hand schrif telijke overlevering van de Middelnederlandse Arturliteratuur, voor zover in Nederlands bezit, die hier voor het eerst (en misschien wel voor het laatst) in één ruimte bijeen is gebracht. Topstukken zijn het Leidse Walewein-handschrift met de beroemde miniatuur van Walewein die het zwevende schaakbord achterna rijdt, en de zogenaamde Lancelot-compilatie, een vroeg-veertiende-eeuws handschrift uit de collectie van de Koninklijke Biblio theek, dat ooit in het bezit van de dichter Lodewijk van Velthem is geweest. In dit handschrift is een tiental Middelnederlandse Arturromans door compositorische ingrepen tot één doorlopend verhaal verenigd. Hiernaast ziet men een specimen van het vroegste wereldlijke proza in onze taal: de schamele fragmentjes van een Middelnederlandse be werking van de Roman de Lancelot en prose. Tot verrassing van Nederlandse en Vlaamse artu risten is onlangs een nog onbekend fragment van dit Middelnederlandse werk ontdekt.

En dan zijn er de zogenaamde Tristan muiltjes die bij archeologische opgravingen in Dordrecht aan het licht zijn gekomen. In het driehoekige bovenleer van deze veertiende-eeuwse pantoffels is een beroemde scène uit het Tristanverhaal gestempeld: de overspelige minnaars, Tristan en Isoude, zitten ter weers zijden van een fontein onder een boom waarin Isoudes man, koning Mark, zich heeft verscholen. In beeld gebracht is het dramatische moment waarop Isoude de weerspiegeling van Marks hoofd in het water van de fontein ontdekt. Welke boodschap zou deze voorstelling hebben ingehouden, en voor wie was deze boodschap bestemd? De vragen die deze muiltjes oproepen zijn in wezen niet verschillend van de vragen die sinds het begin van de negentiende eeuw generaties van tekst onderzoekers hebben bezighouden. En net zo min als deze muiltjes hebben de prestigieuze codices en de strookjes beschreven perka ment, brokstukken van ons literaire verleden, in middels al hun geheimen prijs gegeven. Zij evoceren de geheimzinnige wereld van ko ning Artur, van wie gezegd is dat hij eens koning was en ooit weer koning zal zijn.

Bibliotheca Philosophica Hermetica, Bloemstraat 13-19, Amsterdam. Maandag t/m vrijdag 9.30-12.30 uur en 13.30-17.00 uur. Toegang gratis.

Tot begin oktober.

Engelstalige catalogus King Arthur in the Netherlands, samengesteld door Dr. Martine Meuwese, 71 blz., € 10,-