KUNST

Camera Obscura

De grootouders van de historicus Johan E. Elias (1875-1959) woonden aan het eind van de negentiende eeuw in Amsterdam aan de Herengracht. De ‘zaal’ van het huis, de grote kamer aan de tuinzijde, was in 1789 versierd met wand­vullende schilderingen op papier door ­Jurriaan Andriessen (1742-1819). Op de kleine Elias maakten ze grote indruk. Hij beschreef ze later als ‘(…) een phantasie op de zegepralende rivier de Vecht (…) met zijn kronkelende oevers, zijn theekoepels en ophaalbruggen, zijn wandelaars en boerenchaisen, zijn vissertjes aan de waterkant en de trekschuit in rustige vaart achter het jagerspaard aan. Dit alles overwelfd door hemelhoge bomen, die tot aan de zoldering reikten. Over deze gehele, de 18e eeuw zo natuurgetrouw weergevende voorstelling goten de drie hoge ramen overvloed van licht uit. Het uitzicht buiten op de goedonderhouden tuin, met zijn échte hoge olmen onder de blauwe hemel, sloot zich als het ware ongezocht bij dit aan het penseel ontsproten panorama aan.’ De ervaring is historisch geworden. Natuurlijk; het is in zo’n kamer nauwelijks meer voor te stellen hoe in de geest van een negentiende-eeuwer zo’n ensemble van schilderkunst, binnen, zich ‘ongezocht’ aansluit bij het panorama, buiten.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht bij het zien van de tentoonstelling van Giorgio Andreotta Calò in de zalen van Smart Project Space, Amsterdam; de zaak kón bijna niet simpeler zijn. De ruimtes zijn geheel witgeschilderd en geheel verduisterd. Op de vensters is één opening uitgespaard ter grootte van een twee-euro stuk. Daarmee is elke kamer veranderd in een camera obscura, en wat je vervolgens ziet is niets anders dan wat er buiten is, maar dan ondersteboven, en, omdat dat gat klein is, wat schemerig. Dat hangt af van het moment van de dag; de ruimte is van zonsopgang tot zonsondergang te bezichtigen. Verder klinkt er een zoemende dreun, een geluidswerk van Emanuele Wiltsch Barberio, gebaseerd op het gedrens van de klok in het Smart-gebouw.

Simpeler kan het niet: wat buiten is komt binnen, ongezocht. Het beeld, op de grond en de wanden, beweegt, wolken schuiven langs de hemel, bomen wiegen. Het is alsof een plafondstuk van Jacob de Wit tot leven is gekomen; het is alsof je ziet wat Bloem zag, in die ‘wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand/ Door zolderramen, langs de lucht bewegen.’

Nu is dat hier strak uitgevoerd; Andreotta Calò is een gerespecteerde kunstenaar – gestudeerd in Venetië, Berlijn, Rijksakademie Amsterdam, was te zien in de Biënnale vorig jaar, in Whitechapel Gallery London, Los Angeles, enzovoort – en dus moeten wij begrijpen dat hier niet de vriendelijke verwondering van de oude heer Elias gezocht wordt, maar ‘the possibility of physically and metaphorically entering into the dimension of changing and evolving time’.

Dat zal wel; elke ochtend als ik op de wekker sla en uit mijn bed stap doe ik precies hetzelfde, lijkt me. En waar hij zegt: ‘All seems so deeply anonymous and abstract that one starts to feel the heaviness of corporal gravity’, dan denk ik: welnee, dat komt gewoon omdat ze je vragen je schoenen uit te doen, om die witte ruimtes – projectieschermen, eigenlijk – niet te bezoe­delen.

Giorgio Andreotta Calò in samenwerking met Emanuele Wiltsch Barberio. Smart Project Space Amsterdam, t/m 21 oktober. Geopend vanaf zonsopgang. En: De Amsterdamse Ter Meulens: Jeugd­herinneringen door Dr Johan E. Elias. 53ste Jaarboek Amstelodamum, 1961