Adriaan van Dis, Familieziek: Een roman in taferelen

Camoufleren en verkleden

Adriaan van Dis

Familieziek: Een roman in taferelen

Uitg. Augustus, 205 blz., € 18,50

Met zijn nieuwe roman Familieziek heeft Adriaan van Dis een verbazingwekkend boek geschreven. Verbazingwekkend allereerst omdat hij teruggaat naar een thema dat hij in zijn laatste roman, Dubbelliefde (1999), definitief afgesloten leek te hebben. Verbazingwekkend daarnaast omdat hij de verstikkende vader-zoonrelatie, nauw samenhangend met het oorlogstrauma van de Indische vader — voor het eerst opgetekend in Nathan Sid (1983), uitgebreid verkend in Indische duinen (1994), en ogenschijnlijk eens en voor altijd onder ogen gezien in Dubbelliefde — een geheel nieuwe jas heeft gegeven.

«Een roman in taferelen», luidt de ondertitel van Familieziek, en inderdaad is de roman een aaneenschakeling van korte schetsen uit het gezinsleven gegrepen, met kopjes als «medailledag», «zakkenvullers» en «een warme dag». De puntige stijl van Van Dis, een wonder van bondigheid en elegantie, komt nergens zo tot zijn recht als in dit soort stukjes op de korte baan. Zijn ingedikte observaties schitterden voor het eerst in Nathan Sid, bliezen de literaire reisjournalistiek met onder andere zijn Afrikaboeken een prachtig nieuw leven in, maar sloegen in Indische duinen en in Dubbelliefde soms een beetje dood. Hoezeer ik ook viel voor met name Dubbelliefde, vanwege de humor, de zwartheid en de kwetsbaarheid van de geschiedenis van een ambivalente jongeman, Van Dis’ schrijfstijl lijkt niet op z’n plaats in een brede roman die een tijdgeest wil omspannen. Daarvoor is zijn schrijven te precies en laat hij te weinig ruimte voor raadsels, rafels en onbenoembare zaken. Tenminste… dat vind ik. En wie ben ik? En wie is Frank Hellemans? In 1996 publiceerde hij in het toenmalige «jaarboek voor lezers» Mekka een anti-Van Dis-literatuurstuk. Het was het jaar dat Van Dis het boekenweekgeschenk schreef (Palmwijn) en nog nasudderde op het grote succes van Indische Duinen. Voor Hellemans genoeg aanleiding om het «aai-mij-alstublieft-taaltje van teddybeer Van Dis» uit te roepen tot de verzinnebeelding van alles wat er niet deugde aan «de navelstaarderige nepliteratuur» van de jaren negentig. «Van Dis heeft het voortdurend over de eigen getroebleerde puberteit en doet geen moeite om zichzelf te camoufleren», aldus Hellemans.

Hoe kortzichtig kan een scribent zijn? Van Dis’ schrijverschap wortelt juist in het camoufleren en verkleden. Hij heeft de greep in de garderobekast tot kunst verheven, immer voortgestuwd door de vraag «wie ben ik?». Hij «kleurt en verraadt het leven binnenskamers», zoals de jongen in Familieziek denkt als hij bij de zenuwarts tekeningen moet maken over de situatie thuis. Uit de Indische romans mag inmiddels bijna een consistent levensverhaal te destilleren zijn, het blíjft een romanwerkelijkheid, opgebouwd uit verschillende verhalen die net niet allemaal op elkaar aansluiten. Waardoor je je als lezer, op je platste momenten, toch blijft afvragen hoe het nu écht zit. Terwijl de schrijver ongetwijfeld zo gauw hij de woorden denkt te hebben gevonden, hoe-het-nu-écht-zit alweer om de hoek ziet verdwijnen.

Zo werpt Familieziek weer net een ander licht op de vader die we al zo goed dachten te kennen. In Dubbelliefde heette hij nog Paardman, hier heet hij, met meer compassie en minder angst, meneer Java. De zoon heet consequent «de jongen»; met «moeder», «eerstezus», «tweedezus» en «derdezus» is het gezin compleet.

Familieziek vertelt de neergang van de vader vanuit het perspectief van de jongen die niet anders kan dan loyaal zijn. «Zoon zijn is zijn ongeluk, als paard had hij meer bereikt.» Zijn vaders zwakte houdt hem in de macht: hij zal alles voor hem goed maken. Het is een bekende geschiedenis, maar Van Dis heeft zijn figuren dit keer als silhouetten uit papier geknipt en tegen een witte achtergrond geplaatst. De enscenering roept die van de Jip en Janneke-verhaaltjes van Annie M.G. Schmidt in herinnering. «Janneke heeft noten gekregen» of «Er is een elfjesfeest», opende Schmidt haar huiselijke taferelen. «Het is rapportentijd» of «Meneer Java poetst zijn medailles op», schrijft Van Dis. De strakke stilering van zowel de scènes als de figuren, in combinatie met de compacte schrijfstijl («Tas gepakt, jas geborsteld, zijn geld geteld, zijn zorgen, moeders zorgen. Meneer Java staat klaar. Kijkt op zijn horloge, telt, weer dat verdomde tellen — iets van de laatste tijd»), tilt de tekst op naar iets wat tegelijkertijd abstract en ontroerend is. En dat is natuurlijk pas echt verbazingwekkend.