‘Can I have something to eat now, Harry?’

Joseph Mitchell, Joe Gould’s Secret

In de week dat Noma aankondigde ermee op te houden, dineerde ik in all-you-can-eat-restaurant Atlantis in Almere. Sinds ik het najaar van 2020 en het vroege voorjaar van 2021 in Almere had doorgebracht, was het mijn wens om eens in zo’n etablissement te gaan eten. Niets was destijds open. Iedere dag liep ik met mijn hond langs grote, lege restaurants waar je, in minder virale tijden, onbeperkt Grieks, sushi of spareribs kon eten. Almere, zo kwam mij voor, was boven alles de stad van het onbeperkte eten.

Toen Almere, in 1994, vierde dat het de honderdduizend inwoners was gepasseerd, schreef Henk Hofland een lofzang op het vernuft en, ja, ook de schoonheid van de toen nog geen twintig jaar oude stad. Nederlanders deden er volgens hem onterecht neerbuigend over, al zag hij waar dat vandaan kwam. ‘Het nadeel van dit nationale wonder’, schreef hij, ‘is dat het is bekleed met vanzelfsprekendheden. Een polder die eenmaal is voltooid heeft voor Nederlandse ogen alle opzienbarendheid verloren.’

Een van de meest – of eigenlijk: minst – in het oog springende van die vanzelfsprekendheden, was de filosofie van oneindige laagbouw. Wijk na wijk spreidde zich horizontaal over het laagland uit, niets was hoger dan een verdieping of drie, en inderdaad: ‘Wat vlak is baart geen opzien.’

Almere doet, hoe Nederlands ook, óók denken aan een uitgestrekt Amerikaans suburbia. De meeste mensen die er wonen werken er niet (en vice versa, ontdekte ik: veel mensen die, om iets te noemen, Almere willen voorzien van meer cultureel cachet, stappen na een werkdag in de sprinter naar hun huis in Amsterdam). Veel gezinnen, tuinen, garages, parken, fietspaden. En minder van de lijm die stadsbewoners aan de stad, en elkaar, bindt: het algehele gevoel samen in een groter geheel te leven dat het individualistische wonen overstijgt.

Dat het all-you-can-eat-concept juist in Almere goed gedijt, moet iets te maken hebben met die suburbia-sfeer. Het all-you-can-eat-restaurant is een ideale plek voor gezinnen, families en senioren, die er een speciale korting krijgen (net als, las ik op de website van Atlantis, mensen met een maagband). Je betaalt van tevoren voor een tijdslot van twee uur. Je kinderen zet je neer in een aparte ruimte met beeldschermen en speelgoed. Je kunt idioot veel verschillende dingen door elkaar eten: van sushi en tapas tot wokgerechten (live bereid door de wok-kok) en pizza; van lappen gegrild vlees en bitterballen tot softijs en vloeibare chocolade uit een fontein. Met gevaar voor eigen leven laveren de senioren met hun rollators langs de live cooking-eilanden. Overal rennen kinderen met ijsjes en pannenkoeken in hun hand, terwijl hun moeders nog een glas wijn tappen en hun vaders in de rij staan voor een T-bonesteak.

Het all-you-can-eat-buffet is, niet verrassend, een Amerikaanse uitvinding. Het was Herb McDonald (1921-2002), een marketeer die van grote invloed was op de wording van Las Vegas als casinostad, die in 1946 met het idee op de proppen kwam. Hij werkte als hoofd entertainment bij El Rancho, het allereerste resort van wat The Strip zou worden. Na een late dienst stalde hij de ingrediënten voor een sandwich uit op de bar. Hongerige gokkers begonnen ervan te eten, en zo, vertelde McDonald, was het idee voor een onbeperkt buffet geboren (het allereerste all-you-can-eat-buffet bij El Rancho kostte één dollar en 25 cent).

Om gezelligheid was het niet per se te doen, in restaurant Atlantis. Bij de ene gang dacht je alweer aan alle opties voor de volgende. In de wachtrij voor het buffet keek je nerveus of de bak verse vis waar je je oog op had laten vallen niet op was. Je probeerde tijdens het eten wel gesprekken te voeren, maar het wilde toch niet erg goed lukken, over alles hing een gejaagdheid, de plicht om zo goed mogelijk gebruik te maken van de tijd en de kansen die je werden geboden.

Vijf minuten voor het einde van ons tijdslot kwam iemand ons vertellen dat de tijd bijna om was, en ik realiseerde me dat dit het eerste contact was dat we hadden met iemand die hier werkte. Over een nauwelijks ontgonnen stuk van Almere Poort liepen we terug naar het station. Ik wist dat ik restaurant Atlantis niet opnieuw zou bezoeken, zoals ik ook nooit meer in Almere zou wonen. Sommige dingen zijn eenmalig, al betekent het niet dat je er, ondanks alles, geen vreemde liefde voor kunt koesteren.