Canetti’s liefste lastdier

Dat Elias Canetti een bevlogen schrijver maar een onmogelijk mens was, blijkt weer eens uit zijn briefwisseling met zijn buitenechtelijke geliefde.

‘Kwade brieven mag je wel schrijven, maar je moet ze niet posten.’ Aldus Elias Canetti in een brief van 20 juli 1955 aan Marie-Louise von Motesiczky. Zelf wekt hij blijkens zijn soms uitputtende vermeldingen van woedende, niet verstuurde brieven de indruk zich keurig aan die ethische imperatief te houden, maar dat is schijn. Canetti is als brievenschrijver een grommende vulkaan, waarvan de lezer de uitbarstingen soms rechtstreeks, soms in zijn eigen verslag achteraf mag meebeleven. Die laatste zijn niet minder dreigend, soms op het sadistische af.
Canetti (1905-1994) heeft als weinig anderen, en in elk geval hoogst origineel, het verschijnsel macht doorgrond. Tegelijk kan de lezer zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat hij zelf tot in al zijn vezels doordrongen was van het verlangen naar macht, zij het primair in afgeleide zin, als schrijver wiens werk, desnoods of liefst als enige, de eeuwen trotseert.
Het ongemakkelijke besef is onontkoombaar. De auteur, die op zijn 25ste een van de meest verbijsterende romans van de moderne Europese literatuur schreef, was een onuitstaanbaar, egomaniakaal, leugenachtig en van ressentiment vervuld mannetje. We wisten het op z'n laatst sinds de voorbeeldige biografie van Sven Hanuschek (2005), onverbloemder nog sinds zijn laatste, postuum gepubliceerde autobiografische boeken, vooral Party im Blitz (2003), waarin hij onder anderen Iris Murdoch, een latere buitenechtelijke liefde, tot op het bot beledigt. De nu gepubliceerde briefwisseling met Marie-Louise von Motesiczky (1906-1996) maakt de zelfontluistering compleet.
De omslagfoto, een dubbelportret, is opmerkelijk. Canetti, driekwart kop kleiner dan Marie-Louise, is één en al voorhoofd. De verleiding is groot zijn koboldachtige verschijning in verband te brengen met zijn buitensporige intellectuele ambities. Is hij professor Kien uit Die Blendung (door Jacques Hamelink in 1967 vertaald als Het martyrium), het 'hoofd zonder wereld’, de zelfdestructieve paranoïde sinoloog die omkomt in de vlammen van zijn zelf aangestoken bibliotheek?
Dat zou, Canetti’s fanatisme ten spijt, een voorbarige conclusie zijn. Hij was juist extreem gericht op de wereld, hij was een gulzig en scherpzinnig observator als geen ander. 'Alles maakt indruk op me. Ik heb geen voorkeur.’ Hij had een grondige afkeer van elk academisme, van theorieën en systemen die de verschijnselen van hun empirische uniciteit beroven. Niet Freud en Marx, maar de diverse mythologieën, de Voorsocratische en oud-Chinese filosofen vormden zijn grootste inspiratiebronnen. Massa en macht (1960), het nog altijd verbluffende antropologisch-filosofische hoofdwerk waaraan hij twintig jaar heeft gewerkt, is geschreven in een eenvoudige, heldere taal die de verschijnselen niets van hun oorspronkelijke rauwheid en duisternis ontneemt.
De omslagfoto is vooral veelbetekenend voor de verhouding van Canetti en Marie-Louise. Ze staan naast elkaar, op één lijn, in dezelfde richting en dezelfde houding: de benen licht gespreid en de armen losjes langs het lijf. Er is één verschil: Canetti kijkt voor zich uit, nors, ontstemd. Zij kijkt hem met licht gebogen hoofd, van opzij aan; ze kijkt hem naar de ogen. Ook de brieven geven een duidelijke hiërarchie te kennen. Zij bewondert hem om zijn enorme kennis en is zich voortdurend en op bijna gênant verontschuldigende wijze van haar intellectuele inferioriteit bewust, ze blijft hem met u aanspreken, hoewel hij al meteen de je-vorm gebruikt. Haar schrijfstijl is springerig en onbeholpen. Ze schrijft veel onaffe, slecht lopende en kinderlijk aaneengeregen zinnen. En ze is onbelezen, zelfs zijn boeken schijnt ze niet te kennen.
Dat leidt tot een van de gruwelijkste uitvallen van haar aanbeden 'doctor Canetti’. 3 maart 1958, dus ongeveer twee jaar voor verschijnen van Massa en macht, schrijft hij: 'De mooiste en beste tijd tussen ons was die toen je werkelijk en in alle ernst bij mijn werk betrokken was, want toen wist ik dat je van me hield. Je bent daar nooit toe “gedwongen”, zoals je later eens in een moment van verwoestende zwakzinnigheid hebt beweerd. Gedwongen heeft je je gevoel voor mij en misschien ook het inzicht dat je te maken hebt met het levenswerk van een van de geweldigste geesten die ooit geleefd hebben. Dat ben ik namelijk, voor het geval je dat bent vergeten. Als je je ertoe had kunnen brengen in het manuscript te lezen dat zeven jaar!!!!! bij je lag (sinds de herfst van 1950), in plaats van achterlijke opstellen over je eigen kunst (…), zou je nooit zo erg in de fout zijn gegaan: dan had je nooit vergeten wie ik ben, en je had ook niet het kostbaarste en mooiste gevoel van je leven, dat voor mij, zo in gevaar kunnen brengen.’
Marie-Louise von Motesiczky was afkomstig uit een steenrijke, joods-aristocratische, Weense familie, hun huis was een trefpunt voor de intellectuele en artistieke beau monde van de stad. Haar grootmoeder was een van de eerste patiënten van Freud, haar vader musiceerde met Brahms, haar moeder had een verhouding met Hugo von Hofmannsthal. Zelf kreeg ze schilderles van Max Beckmann, die in hun salon kind aan huis was en met wie ze tot zijn dood in 1950 bevriend bleef. Met Mathilde Beckmann, Quappi voor intimi, haar eerdere concurrent in de liefde, ook nog lang daarna. Ze was onmiskenbaar getalenteerd, vooral als fijngevoelig portretschilder. Ook Canetti onderkende dat, als hij haar bewonderend toespreekt is het haast altijd in haar hoedanigheid van kunstenaar.
Na de oorlog exposeerde ze in diverse vooraanstaande musea en galeries, in februari '52 ook in Kunstzaal Van Lier aan het Rokin in Amsterdam. Een ontmoeting met Willem Sandberg leverde niet de verhoopte expositie in het Stedelijk op (Sandberg zou meer zien in de 'abstracte’ Léger, 'omdat die communist en partijlid is’), wel kocht het museum haar schilderij Finchley Road bei Nacht - voor het bedrag van 25 gulden. Of Ann Goldstein dat doek op korte termijn uit de immense depots van het museum zal opdiepen mag worden betwijfeld, hoewel Marie-Louise’s werk vooral de laatste jaren aan bekendheid en prestige wint. De kleurenillustraties in de briefwisseling geven een indruk van haar talent, dat zich overigens nooit helemaal heeft kunnen bevrijden van de invloed van Beckmann en Kokoschka.
Canetti, geboren in een Spaans-joodse enclave in Bulgarije, woonde sinds 1924 in Wenen. Hij en Marie-Louise leerden elkaar kennen in Londen, waarheen beiden na de 'Anschluss’ van Oostenrijk bij nazi-Duitsland in 1938 waren gevlucht, Marie-Louise met haar moeder, Canetti met zijn acht jaar oudere echtgenote Veza, schrijfster van verhalen en romans. Tot een verhouding is het vermoedelijk pas in 1940 gekomen, toen zij op de vlucht voor de bombardementen van Londen eerst naar het vijftig kilometer noordelijker Amersham en vervolgens naar Hampstead verhuisden. Daar vonden ze aansluiting bij een hele kolonie Oostenrijkse vluchtelingen, onder wie Ernst Gombrich, Karl Popper en Oskar Kokoschka. Marie-Louise kocht er een huis voor haar en haar moeder en huurde er een voor de Canetti’s; bovendien richtte ze in haar huis een complete werkkamer in voor Elias.
Het huwelijk met Veza was een vechthuwelijk, gekenmerkt door depressies, zelfmoordplannen en - in elk geval van zijn kant - talloze, door haar getolereerde en vaak ook aangemoedigde affaires. De spanningen werden zoal niet veroorzaakt, dan in elk geval verhevigd door de even problematische als frustrerende situatie waarin zijn schrijverschap was beland. Die Blendung en een paar vroege groteske toneelstukken waren op het verkeerde moment verschenen om nog lezers te bereiken. En nieuwe publicaties zaten er voorlopig niet in. Sinds jaren moest alles wijken voor de grote studie waarin Canetti met monomane bezetenheid de barbarij van zijn tijd tot in de wortel wilde doorgronden. Als schrijver en geleerde was hij, zeker in Engeland, volkomen onbekend en nagenoeg zonder inkomsten. In die omstandigheden kwam het mecenaat van Marie-Louise hem maar al te goed van pas.
Des te onbegrijpelijker dat zij al zijn grofheden pikt. Ze slooft zich enorm voor hem uit, draagt hem na wat hij maar wil en sluipt ook in haar eigen huis op kousenvoeten om Elias daarboven in 'zijn’ werkkamer maar niet in het minst te storen. Dat Elias zich in zijn brieven ook vaak uitslooft in liefdesbetuigingen, dat hij haar schilderijen prijst en haar in zijn bewonderende beschrijvingen van al het moois dat hij op zijn talloze reizen ziet steeds opnieuw warm maakt met het vooruitzicht dat alles ook binnenkort met zijn tweeën te gaan bezoeken, klinkt vooral hypocriet, zeker als de lezer, kennelijk anders dan Marie-Louise, constateert dat er van al die mooie beloften niets terechtkomt - niet één keer zijn ze samen op reis geweest. Behalve de brief waarmee hij op 1 juli 1941 de correspondentie begint - een uitgebreide, zuiver administratieve beschrijving van de voorwaarden waaronder hij zojuist zeshonderd pond van haar geleend heeft - spreekt hij haar liefkozend aan als zijn 'liefste Muli’, Oostenrijks voor lastdier. Ze koopt trein- en vliegtickets voor hem, reserveert hotels, struint heel Europa af op zoek naar exclusieve boeken, vaak van etnografische aard, die hij nodig heeft voor zijn levenswerk.
In dat verband spreekt hij onverbloemd van 'opdrachten’, vermoedelijk omdat het woord bevelen ook voor hem te belast is: het bevel staat in het centrum van zijn analyse van de macht. Het drijft een angel in degene die het bevel uitvoert, en die angel blijft als tastbare herinnering aan een vernederende mishandeling onveranderd aanwezig, desnoods vele jaren lang, totdat de 'drager’ ervan zelf in een soortgelijke bevelsituatie komt en zich van zijn angel kan bevrijden. Dat is volgens Canetti de motor van elke ambitie: 'de diepe drang om aan bevelen kwijt te raken wat men eens aan bevelen heeft ontvangen’. Daaruit volgt logischerwijs dat een vrij mens iemand is die geleerd heeft bevelen te ontwijken 'en niet hij die er zich pas naderhand van bevrijdt. Maar wie het langst voor deze bevrijding nodig heeft of er in het geheel niet toe in staat is, die is ongetwijfeld de onvrijste.’ De slotzin van Massa en macht luidt: 'Wie de macht wil aanvatten, moet het bevel zonder angst in de ogen zien en de middelen vinden om het van zijn angel te beroven.’
Na het overlijden van Veza in 1963 moest het Marie-Louise duidelijk zijn geworden dat hij nooit met haar zou trouwen, zoals ze zich er al eerder mee had moeten verzoenen dat ze geen kind van hem zou krijgen; niettemin bleef ze, gevoed door zijn paaiende woorden, vasthouden aan de illusie dat ze weliswaar niet de enige maar wel de eerste vrouw in zijn leven was.
Canetti, die eindelijk genoot van het internationale succes, reisde veel, kwam nog maar zelden in Hampstead en de correspondentie met Marie-Louise stond op een laag pitje. Dat hij in 1971 in Zürich met een ander trouwde en nog op 67-jarige leeftijd vader werd, verzweeg hij voor haar. Pas twee jaar later hoorde ze het bij toeval. Volledig ontdaan smeekte ze Canetti’s nieuwe vrouw het huwelijk geheim te houden voor haar 91-jarige moeder. Ontroostbaar, dodelijk gewond, maar haar pijn verbijtend, stuurde ze Canetti een lange brief, de hartverscheurendste van de hele correspondentie. Een van de laatste brieven van Canetti aan haar, van 25 februari 1990, bevatte andermaal 'een opdracht’: of zij zo vriendelijk wilde zijn 'uit haar geheugen’ een portret van hem te schilderen.
Pas een jaar later, zij is ernstig ziek, laat ze van zich horen, er zijn momenten dat ze weer gelooft in de schilderkunst. Begin '92 is het portret klaar. Ze brengt het naar Zürich om het haar opdrachtgever te tonen. Canetti is niet tevreden, ze kan het schilderij weer mee naar huis nemen. Uit een latere brief, zijn laatste, blijkt waarom. Ze heeft gebruik gemaakt van een foto, uitgerekend de foto waaraan hij zich altijd het meest geërgerd heeft. Hij wil 'nooit meer over die foto praten en er zeker niet over discussiëren’. Marie-Louise schenkt het schilderij aan de National Gallery in Londen, waar het ook nu nog hangt.