Hoofdcommentaar

Capitulatie Cliteur is een politieke stap

Paul Cliteur «capituleert». Hij buigt het hoofd voor een paar critici. Want die verzieken het «debatklimaat» en stimuleren zo een cultuur van «bedreiging». Cliteur trekt zich zondag dus terug als columnist van Buitenhof. Afgelopen week was Cliteur zodoende dé man om wie Nederland draaide. Trefwoorden in de reacties: «demoniseren», «sussende theelichtjes», «steuncomité» en — uiteraard — «rancune» van de «linkse kerk» enerzijds en «gebrek aan incasseringsvermogen» anderzijds. Alle grote denkers uit het verleden passeerden de revue.

Wie zijn er schuldig, althans volgens Cliteur? Allereerst Thijs Wöltgens, die in De Limburger schrijft dat Cliteur een «intellectuele meeloper» is — een «Verlichtingsfundamentalist» die liever een «kruistocht» tegen de jihad voert dan een voorbeeld te nemen aan Kant — en vervolgens verzucht dat «wij een racistisch land aan het worden zijn». In mindere mate Marcel van Dam, die hem in de Volkskrant «demagogie» verwijt. En ook Piet Grijs, die, als gebruikelijk, in Vrij Nederland alle registers opentrekt omdat een metafoor hem al decennia niet dol genoeg kan zijn. Wie denkt dat de tijd dat Grijs’ woord wet was achter ons ligt, dat de Vara in Hilversum nu een achterhoedegevecht voert en dat Wöltgens heus kan worden tegengesproken, al is het omdat hij Limburg niet meer zo vaak verlaat als vroeger toen de PvdA de macht nog had, heeft kennelijk iets over het hoofd gezien.

Als ik een voetbalfanaat was, zou ik plagiëren: «Denkend aan Holland, zie ik eindeloos Beenhakker spreken, die na weer een verloren wedstrijd bromt: patatgeneratie.» Als ik paranoïde was, zou ik de stap van Cliteur waarderen als een provocatie. Na zijn tactische terugtocht gaat het immers niet meer over hem maar over de ander. Álle critici van zijn «religiekritiek» staan nu op het verkeerde been. De bondgenoten zijn gemobiliseerd en de publieke discussies op een dialectische wijze tot het niveau van de antithese gepromoveerd.

Het «debatklimaat» is in beide interpretaties inderdaad beneden peil. Het heeft steeds meer weg van Ajax-Feyenoord. Wie hard «poep» roept, debatteert tegenwoordig al. Daarmee moeten we leren leven. Met links of rechts heeft het echter weinig te maken, met de toekomst nog minder. En daarmee valt nauwelijks te leven.

Ten eerste omdat links en rechts stuivertje hebben gewisseld. Wat een kwart eeuw geleden «links» werd genoemd — kort gezegd overspannen verwachtingen over de zin van politieke interventies — is nu het parool geworden van politici die zichzelf alles behalve links noemen. Cliteur is met zijn «religiekritiek» een mild voorbeeld. In een recensie van zijn boek Tegen de decadentie heeft Arnold Heumakers, naar eigen zeggen een «potentiële medestander» van Cliteur, de omkering zo gefileerd. «Hoe lastig ook, met die rijke, complexe, tegenstrijdige geschiedenis [van Europa] kun je maar beter rekening houden. Maar helaas, juist dat inzicht lijkt te ontbreken bij de zichzelf conservatief noemende Cliteur, die het verleden naar believen herschrijft en de toekomst losjes in elkaar knutselt op het lege papier van zijn juridische tekentafel», aldus Heumakers.

Verstandige kritiek, maar meer en meer aan dovemansoren gericht. Zaterdag bijvoorbeeld hebben de liberale parlementariërs Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders in Trouw ervoor gepleit elk onderscheid tussen binnenlands beleid en buitenlandse politiek op te heffen. Wanneer de staat van beleg moet worden afgekondigd, lieten ze in het midden. Actie is echter hoe dan ook geboden, inclusief «militair geweld» tegen alle «regimes die weigeren te democratiseren» en het verbreken van «alle diplomatieke betrekkingen» met Saoedi-Arabië als dat land geen korte metten maakt met de financiering van terroristische netwerken. Me dunkt, een variant op de jaren zestig/zeventig.

Ten tweede omdat het vertrek van Cliteur ook en misschien wel vooral een politieke stap is. Hij heeft een offer gebracht om ruimte te scheppen voor een ander doelwit, namelijk niemand minder dan minister Remkes van Binnenlandse Zaken, die verantwoordelijk is voor het vermaledijde rapport waarin de AIVD «constateerde» dat mede door het debatklimaat een voedingsbodem voor jihad-rekrutering in Nederland ontstaat. Wat we liever niet willen zien, willen we niet weten. Het is «de politiek die zo’n notitie zomaar laat passeren», zei Cliteur. Het is zijn partijgenoot Remkes die daarom een toontje lager moet zingen, klonk her en der.

Dat is machtspolitiek ter wille van de posities. De tijd is aangebroken waarin op functioneel niveau eveneens rekeningen worden vereffend, ook binnen de VVD. Dat is oorbaar mits met open vizier bedreven. Maar dat gebeurt nu juist niet. Remkes is wel het doel, maar zijn naam blijft verborgen achter een rookgordijn van andere namen. Wat de politiek doet, dient onder geschikt te zijn aan wat ze denkt.

Geen misverstand. Bedreigingen zijn pervers en schrijf tafelmoordenaars bestaan. Er is niettemin een verschil tussen verbaal geschal van, al dan niet geestige of verstandige, columnisten en concreet lichamelijk gevaar. Dat Cliteur het «zekere voor het onzekere» heeft genomen, is in alle opzichten bedroevend en siert niemand.

Laat het daarbij blijven. Want het gaat niet meer alleen over verbale «provocaties» op papier, het gaat wel degelijk ook om fysieke bedreigingen op straat. Om Bart Jan Spruyt van de Edmund Burke Stichting die zich nu al anderhalf jaar door linkse autonomen met de dood bedreigd voelt. En om andere al dan niet publieke personen die zich tot de politie moeten wenden aangezien ze serieus risico’s lopen op het schoolplein of in het mediapark, zonder daaraan ruchtbaarheid te geven in columns of interviews.

Die mensen verkeren niet in een «debatklimaat» maar in een echt klimaat. Zij hebben geen heroïsche columnisten nodig maar praktische agenten.