Carla Brünott 24 juni 1938 – 23 augustus 2017

Van non tot lesbienne en feministe. Heftig en bevlogen streed Carla Brünott tot haar einde voor een betere wereld.

Carla Brünott was vast van plan honderd te worden. Ook op het drukbezochte afscheid in Schuilkerk De Hoop in Diemen op 26 augustus werd tussen een zee van bloemen met regelmaat aan dat voornemen van ‘krasse Car’ gerefereerd. Wie haar levensloop bekijkt, zou makkelijk kunnen denken dat ze de honderd had gehaald, zo lang was de lijst van activiteiten en verdiensten.

Ze was nog maar een kleuter toen bleek dat ze niets moest hebben van traditionele rolpatronen. In haar levensboek Carla Brünott: Een gepassioneerde potteuze dat in september vorig jaar verscheen, vertelt ze hoe ze als kleuter poppen wegsmeet. ‘Op straat was ik echt de jongen. Meisjes vond ik maar tuttebellen.’ Maar de jonge Brünott was ook een ernstig kind met veel zelfopgelegde taken als oudste in een gezin met vijf kinderen. Dat verantwoordelijkheidsgevoel zou ze de rest van haar leven houden.

Korte tijd leek ze als ‘de Nederlandse Kathleen Ferrier’ af te koersen op een roemvolle carrière in de muziek. De druk van succes en verwachtingen in haar omgeving vielen zwaar en haar stem begon bij optredens te haperen. Al slaagde ze in 1961 als 22-jarige nog met een tien voor het solistenexamen van het conservatorium, toch nam ze afscheid van de professionele muziekwereld. Zoals vaker bracht het geloof haar houvast en troost. In 1965 zette ze de stap waar ze al op jonge leeftijd van gedroomd had: ze trad toe tot een kloosterorde in Egmond. Maar het keurslijf van regels en starheid knelde. Drie jaar na haar intrede ontsnapte ze door een nachtelijke klim over de gewijde muren. Aan enkele nonnen bewaarde ze de rest van haar leven dierbare herinneringen, maar de rooms-katholieke kerk als instituut kreeg een niet mis te verstaan oordeel: ‘Vrouwvijandig, hypocriet en patriarchaal van structuur.’

Het pijnlijke afscheid van het kloosterleven opende een deur naar een leven in Amsterdam waar ze zichzelf kon zijn als lesbienne en feministe. Van de bezetting van de abortuskliniek Bloemenhove tot de zoveelste demonstratie, al snel waren er maar weinig acties voor het verbeteren van vrouwen- en gayrechten waar Brünott niet opdook. Een van haar initiatieven was de oprichting van de Amsterdamse vrouwenboekhandel en ontmoetingsplek Xantippe in 1976. Ze was ook medeoprichtster van het cultureel-feministisch tijdschrift Lust & Gratie dat in 1983 voor het eerst verscheen. Maaike Meijer, publicist en voormalig hoogleraar genderstudies die als redactielid met haar samenwerkte, herinnert zich Brünott als ‘heel trouw, heel gedreven en heel idealistisch, maar ook heel eigenwijs’. Veel andere oudgedienden uit de tweede feministische golf werden na verloop van tijd minder radicaal. ‘Maar Carla bleef de principiële activiste.’ Zo kreeg Meijer er flink van langs toen bleek dat ze aandelen had gekocht.

‘Op straat was ik echt de jongen. Meisjes vond ik maar tuttebellen’

Brünotts goede vriendin Ineke van Mourik, voormalig bibliothecaris, kwam Brünott in de tweede helft van de jaren zeventig tegen bij de oprichting van vrouwendrukkerij Virginia (vernoemd naar Virginia Woolf). Ze herinnert zich dat er maar weinig dingen waren die Brünott zo boos maakten als onrecht en dan kon haar uitgesproken mening tot aanvaringen leiden. ‘Heftig en bevlogen, maar uiteindelijk ook bereid om een blik in haar eigen ziel te werpen en dat verzachtte haar soms onverzettelijke natuur.’

In de jaren negentig zette ze zich steeds vaker in voor migranten- en vluchtelingenvrouwen. Ze was vrijwilligster bij het Harriet Tubman Huis, dat onderdak geeft aan gevluchte moeders en kinderen. Van dichtbij maakte ik mee hoe ze de vaak ingewikkelde correspondentie met de ind en andere instanties behendig ontraadselde en in de pen klom of belde om orde op zaken te stellen. Dat lukte haar verrassend vaak. Ondertussen gingen onze gesprekken steevast ook over het verharde politieke klimaat en de ontwikkelingen in de wereld. Die konden haar de laatste jaren regelmatig beangstigen en somber stemmen, al deed ze haar best daar niet aan toe te geven.

In kleine kring liet ze haar muzikale talent zien, maar haar verhouding tot muziek was ook complex en schrijnend. Toch kreeg die oude hartstocht gaandeweg weer een grotere rol in haar leven. In 1997 ontving ze haar bul als doctoranda in de muziekwetenschap. Ze was dirigente van een lesbisch zangkoor. Mede dankzij haar verscheen in 2014 een wetenschappelijke uitgave over de overleden zangeres Cathy Berberian van wie ze een groot fan was. Ze schreef sinds 2012 met veel plezier muzieklessen voor het Leerorkest, een organisatie die zich inzet om kinderen onder schooltijd een instrument te leren spelen.

Ook toen duidelijk was dat haar einde naderde, wist ze nog te genieten nadat het Nederlandse dameselftal het Europees kampioenschap voetbal in de wacht gesleept had. ‘Het is niet alleen een sportieve overwinning, maar ook een politieke’, zei ze. Ze vertelde dat ze vroeger zelf het best op haar plek was als keeper. Ze dook fanatiek op alle ballen af en het kon haar niets schelen als ze daarbij tegen de grond smakte. Ik zag het haar doen. Ballen weren waar ze die niet wilde. Net zoals ze dat vaak in het leven buiten het sportveld had gedaan. En vervolgens met wat beurse plekken, strijdbaar weer overeind en verder gaan. Carla Brünott wilde de wereld per se een stukje beter maken. En dat deed ze ook.