Carlo

Op het lijk van Carlo Picornie wordt dezer dagen rijkelijk geürineerd, maar ooit, wie weet, zal deze voetbalsupporter, fanaticus en idealist in hart en nieren op een milder oordeel worden getrakteerd. Voorlopig ritsen hoogwaardigheidsbekleders uit de voetbalmicrokosmos hun gulp open en met een onachtzame straal gericht op het Beverwijkse slagveld trachten ze de bloedsporen van een gênante dood uit te wissen. De naam van Carlo Picornie, verworpene der aarde en F-side-ploeteraar met ploertendoder, moet koste wat kost uit de boeken worden geschrapt. Want dood is hij hinderlijker dan levend, en zijn lijk is nog niet uit de reanimatiezaal afgevoerd of er ligt al een kast met dubbel hangslot voor hem klaar.

Direct nadat het nieuws van Carlo’s martelgang wereldkundig was gemaakt, hebben de bobo’s hun driedelige ranzigheid op zijn nagedachtenis omgekiept. Het slachtoffer en zijn maatjes, trompetteren ze, kunnen onmogelijk als voetballiefhebbers worden bestempeld van de sport die zij, de bobo’s, vanaf hun vip-side en sky-boxen vertegenwoordigen. Foei! Pseudo-supporters! Georganiseerde criminelen! Oelikaans! Niets met voetbal te maken! Papegaait de KNVB-volière, die al met genoeg imagoproblemen kampt.
In naam van deze organisatie, die zich vooral in audiovisuele beleggingen specialiseert, gaf dit weekend Wil van Rhee, manager veiligheidszaken, een krachtige grafrede ten beste: ‘Piëteit tonen met iemand die het geweld zelf opzoekt? Ben je gek! Misschien klinkt het raar, maar ik heb geen medelijden.’
Ikke wel. Hoe het komt weet ik niet, maar doordrenkt als ik ben van onze humano-joods-christelijke cultuur krijg ik, meestal op het verkeerde moment, altijd last van compassie met de verkeerde mensen. En ik ben daar niet selectief in. Zo voel ik nu al medelijden opkomen met KNVB-manager Van Rhee. Bovendien: als wij piëteit voor een drievoudige moordenaar in zijn dodencel kunnen tonen, waarom zou dat dan niet kunnen jegens een hooligan die, alvorens door enkele collega’s de eeuwige speelvelden te worden ingeknuppeld, nog nooit iemand om zeep had gebracht?
De quasi-unanimiteit waarmee sinds zondag op de dode voetbalsupporter wordt gespuugd, bezorgt me een stevig sentiment van onbehagen. Vanuit de huiskamers met bloemetjesbehang en de op de A12 langzaam rijdende en stilstaande Opels Kadett stijgt een kreet op van algehele instemming: 'Doodgeknuppeld? Dikke bult!’
Carlo Picornie was geen 'pseudo’ maar een supporter van het zuiverste soort, en ondanks wat bobo’s en clubvoorzitters nu beweren, heeft zijn dood alles met voetbal en nog eens voetbal te maken.
Hij was een onnozele van geest die al jaren in een mythe woonde, omringd door roodwitte vlaggetjes, posters van idolen, sjaals, oude vliegtickets, boxbeugels, honkbalattributen en blauwe plekken. Hij was zelfs directeur van een stichting die, tot voor kort, zijn zetel op een houten tribune in de Meer had. Daarom heeft hij de hoofdrol in deze slecht aflopende F Side Story voor zich opgeëist.
Vanaf zijn jongste jaren heeft Carlo, zoals tal van anderen, zich met zijn helden geïdentificeerd. Die stonden op een rechthoek van groen gras te tieren en te schelden, te slaan en te overtreden totdat een ander erbij neerviel. Van hen leerde hij hoe je wraak op een tegenstander moet nemen zonder dat de dienstdoende autoriteit er iets van merkt. Hoe je moet knijpen en schoppen, een jukbeen met een goed geplaatste elleboogstoot kunt laten kraken, of hoe je je noppen in andermans scheenbeen kunt prenten. Zijn idolen konden niet alleen scherp trappen, maar ook bezigden ze vaak een eenvoudige taal vol beledigingen, racistische en homofobische klanken. Desondanks verschenen ze wel tien keer op een dag op het scherm ten einde hun armetierige toespraakjes vol bijvoeglijke naamwoorden te houden, iets wat zijn leraar Nederlands niet één keer in zijn leven was gelukt. Hij had twee lievelingen. De een kon met zijn speeksel heel goed op een tegenstander mikken, de ander veegde graag zijn reet en plein public af met het shirt van een opponent, als die tenminste een Duitser was.
Voetbal was de kern van zijn leven. Zo belangrijk zelfs dat als er toevallig doden vielen, zoals die 39 Italianen in het Brusselse Heyzelstadion, niemand het in zijn hoofd haalde de wedstrijd af te gelasten. Voetbal was boven alles verheven: boven de moraal, de principes en de menselijkheid. Voetbal was ook oorlog, zei ooit een belangrijke deskundige. En dit vatte Carlo heel letterlijk op.
Zondag is hij tot de uiterste grens van zijn logica gegaan. Ergens langs de snelweg zag hij zijn Amsterdamse krijgers onder de Rotterdamse furie uiteenspatten. Hij, de F-side-leider, weigerde zich terug te trekken en bleef nog even staan. Even maar. In andere omstandigheden krijg je hiervoor een medaille. Temidden van een woud van knuppels is Carlo Picornie uiteindelijk in de modder gaan liggen. Niet slim allemaal, maar gelukkig speelt Ajax volgende week in de halve finales van de Champions League.