Carlo Lizzani (3 april 1922 – 5 oktober 2013)

Met zeventig titels op zijn naam blonk Carlo Lizzani’s ster constant. Op 91-jarige leeftijd liet de filmregisseur zich in Rome te pletter vallen op zijn eigen binnenplaats.

Medium 158743368

Aan het firmament van de grote Italiaanse cinema blonk zijn ster te midden van die van de oogverblindenden, nooit als de allergrootste, maar al bijna zeventig jaar constant. Een onmisbare teamspeler, die dankzij zijn bindende kracht meer was dan de afzonderlijke som der delen van zijn werk. Hij was de meest genereuze van ze allemaal, Carlo Lizzani (91), filmregisseur met zeventig titels op zijn naam, de beste directeur ooit van het filmfestival van Venetië, geniaal filmcriticus, documentairemaker en natuurlijk boegbeeld van de communistische partij, zoals bijna alle grote Italiaanse filmers uit het gouden tijdperk, behalve de grootste, Federico Fellini, want zijn genie oversteeg de politiek.

Op zaterdagmiddag 5 oktober iets voor drieën klom Carlo Lizzani uit het raam van zijn slaapkamer op de derde verdieping van de Via dei Gracchi, hartje Rome, en liet zich te pletter vallen op het krappe binnenplaatsje waar hij bijna zijn hele leven uitzicht op had gehad. Voor zijn kinderen liet hij een haastig opgekrabbeld briefje na met: ‘Ik trek de sleutel eruit.’ Hij had haast, want de badante (‘oppaster’ betekent het letterlijk) kon zo weer terugkomen. Ze was nu eventjes bezig met zijn vrouw, de Duitse Edith Bieber, die al maanden onaanspreekbaar op bed lag, voorgoed verzonken in de put van Alzheimer en andere ongeneeslijke kwalen.

Lizzani en Bieber hadden elkaar in 1948 in Berlijn op de set van Roberto Rossellini’s Germania anno zero, een van de pilaren onder het neorealisme, leren kennen. Lizzani was co-scenarioschrijver en regie-assistent van Rossellini, Edith Bieber was een jonge lerares schilderen op de academie voor beeldende kunst. Een paar jaar geleden vertelde Lizzani in een interview: ‘Rossellini, die altijd voor een directe uiting van alle gevoelens was, zag ons samen praten, Edith was erg mooi en intelligent, en vroeg meteen: ‘En, wanneer gaan we trouwen?’ Dat had hij goed gezien. We zijn al meer dan zestig jaar samen.’

‘Maar toch bewaar ik altijd het optimisme dat het woord “mens” bij me oproept’

Niemand had Lizzani’s sprong zien aankomen, al had hij vaak gesprekken gehad over de in Italië steng verboden euthanasie met zijn zoon Francesco, ook documentairemaker en docent filosofie. Eind dit jaar zou hij zelfs nog een nieuwe film gaan draaien, met Al Pacino in de hoofdrol, iets waar hij naar uitzag. ‘Van onze generatie was hij degene met wie het op het oog het beste ging’, aldus de bedroefde reactie van collega-regisseur Ettore Scola (82), ‘kaarsrecht, geen grammetje te veel, ironisch, altijd oplossingen in plaats van problemen ziend, uiterst rationeel, maar ja, weet je veel hoe het er bij iemand van binnen uitziet. Rationaliteit kan ook een gevecht zijn met de geest.’

Lizzani’s bindende kracht kwam het meest tot zijn recht toen hij het filmfestival van Venetië in 1979 uit het slop trok. Venetië was helemaal niets meer, na de protestacties van 1968 tegen de gevestigde orde, te vergelijken met Aktie Tomaat. Er werden geen prijzen meer uitgereikt, er werden marginale films van ‘collectieven’ gedraaid, er was geen selectie. Carlo Lizzani wist met een magische beweging alle versplinterde fracties weer tot één geheel te boetseren dankzij zijn natuurlijke autoriteit, die voelbaar was, maar die hij nooit liet wegen. Zijn persoon en gedurfde selectie spraken voor zich, onder andere twaalf avonden Fassbinders Berlin Alexanderplatz in wereldpremière, en een team om hem heen van de beste jonge, nog onbekende filmexperts die dankzij de zekere hand van Lizzani hun revolutionaire plannen eindelijk in constructieve selecties konden gieten. De jaren van Lizzani als directeur van Venetië (1979-1982) gelden als de wedergeboorte van het festival op een niveau dat sindsdien nooit meer is bereikt. ‘Ik dacht gewoon: iedereen erbij betrekken’, aldus de bescheiden Lizzani.

Lizzani heeft het leven in de frontlinies meegemaakt. Voor de oorlog begon hij als broekje bij het blad Cinema van de zoon van de Duce, Vittorio Mussolini. Een baanbrekend blad, met oog voor al het nieuwe, en Lizzani heeft ook altijd lovend gesproken over de ‘revolutionaire kijk van de Mussolini’s op het opkomende medium film’. Tijdens de oorlog werd hij gerekruteerd door de communisten in het verzet, waar hij zich met grote moed voor de gevaarlijke klussen liet inzetten.

Na de oorlog stond hij met zijn neus op de geboorte van het neorealisme, het genre dat het best bij hem paste, en waar hij zelf ook met een groot aantal films aan heeft bijgedragen. Uitstapjes naar de spaghettiwestern en de commedia all’italiana heeft hij ook nog gemaakt, maar Lizzani bleef toch vooral de man van de realiteit, misschien meer journalist en historicus dan een beeldenmaker, alhoewel zijn Cronache di poveri amanti uit 1954 de prijs van de jury van Cannes heeft gekregen. In het laatste grote interview dat hij gaf naar aanleiding van zijn negentigste verjaardag in april vorig jaar zei Lizzani: ‘Ja, het was een harde eeuw, de onze. Maar vandaag heb ik het gevoel alsof er niets meer van over is. Alsof we opnieuw in een naoorlogse periode zitten zonder dat er oorlog is geweest. Ik voel overal puinhopen om me heen. Het zijn niet de puinhopen die ik zag in Duitsland, toen ik er in 1948 filmde met Rossellini. Het zijn onzichtbare puinhopen. Idealen in stukken, kapotgeslagen dromen, vernielde hoop. Ik weet het, dit lijkt het gezeur van een oude man. Maar toch bewaar ik nog altijd het optimisme dat het woord “mens” bij me oproept diep in mijn hart.’