Carmiggelts haagse jaren

Hij heeft het zo'n beetje zelf uitgevonden, de Amsterdamse humor. Waar haalde hij het vandaan? Uit de kroeg, van de straat. En uit Den Haag. Simon Carmiggelts Haagse tijd
HIJ IS ZICHZELF altijd, tot in het telefoonboek toe, journalist blijven noemen, ook in de jaren waarin hij in werkelijkheid de geur van lood en drukinkt allang was ontwend.

Hij gold bij leven en welzijn als Amsterdams eigen hoogfijne opa, maar heeft in werkelijkheid een half mensenleven lang in ’s-Gravenhage gewoond, een gemeente die in ’s lands hoofdstad wordt geassocieerd met kouwe aardappelen en Haagse bluf.
Hij geldt niet zozeer als de uitvinder, maar als de vervolmaker van de column, welks inhoud hij, anders dan de meeste collega-columnisten, veelal aan het dagelijks leven placht te ontlenen. Diep in zijn karakteristieke regenjas gestoken drentelde hij in de richting van het buurtcafe en noteerde de ene wise crack na de andere, hem per strekkende meter geleverd door breekbare grijsaards met evenveel levenwijsheid als gezonde dorst.
Waar haalde hij ze vandaan! Elke geroutineerde cafebezoeker weet wat het lot is, als je in handen van zo'n breekbare grijsaard valt: alcoholdoordesemd geouwehoer, meestal over Surinamers en/of Marokkanen.
Simon Carmiggelt (1913-1987) had echter blijkbaar een ontwikkeld gouddelversinstinct voor stadgenoten die garant stonden voor zijn dagelijkse drie kwart kolom snakerijen. Hij staat daarom bekend als als de specialist in ‘Amsterdamse humor’, in werkelijkheid stadse humor die net zo goed op het asfalt van Rotterdam of desnoods dat van Den Haag kan worden gesitueerd.
Drie voorbeelden:
'Ach meneer’, zei de agent, 'als je op z'n neus drukt komt er vergunning op zijn voorhoofd te staan.’
'Ik denk wel eens’, zei de taxichauffeur, 'die is bij ’t visbakken uit de pan gesprongen.’
Morsige hond sluipt een broodjeszaak binnen. Zegt een aanwezige querulant tegen de eigenaar: 'Daar staan weer vijftig kroketten…’
Het betreft hier een Haagse agent, een Haagse taxichauffeur respectievelijk een Haagse querulant. Hun slagvaardigheden zijn afkomstig uit de rubriek Kleinigheden, het cursiefje dat de jonge Carmiggelt vier jaar lang - van 1936 tot 1940 - verzorgde voor de Vooruit, de Haagse editie van Het Volk, het vooroorlogse dagblad van de sociaal-democraten.
Het was de tijd van het rijwielplaatje en het gezondheidszadel. Het was de tijd van Shirley Temple, Willem Mengelberg, Hedwig Courths Mahler en Adolf Hitler. Een getrouwde vrouw uit een volksbuurt werd met 'juffrouw’ aangesproken. Door typische Haagse verschijningen, ambtenaren ter griffie, met lorgnet, bolhoed en grijze snor. Deze heerachtige individuen gingen in smoking naar de premieres in de Koninklijke Schouwburg, vergezeld door dames in sleeprok. De socioloog Peter Hofstede heeft de vooroorlogse 'Haagse deftigheid’ eens geanalyseerd als een mengsel van protestant-christelijke ethiek met de geest van het Indische kapitaal. 'Na het faillissement van beide bleek de leidinggevende burgerij haar macht te hebben verloren.’
Carmiggelt woonde toen, tot zijn opluchting, niet meer in het 'dorp’ Den Haag, maar in Amsterdam.
IN ZIJN NIEUWE DAGBLAD, Het Parool, zag hij niettemin met vertedering op de stad zijner jongelingsjaren terug. Werkelijk, zo verzekerde hij de ongelovige Amsterdammers, Den Haag was meer dan een gemeente waar de slagersknechten de biefstuk onder de deur door schuiven. Zoekende naar de voortreffelijkheden die ’s lands residentie van ’s lands hoofdstad onderscheidden, kwam hij echter niet verder dan de respectievelijke wijze waarop men hier en daar de haring consumeert: in Amsterdam - precieus - met een houtje, in Den Haag - zoals het hoort, het ligt immers dichter bij zee - door de vis bij de staart te pakken om hem vervolgens verticaal de hongerige gestalte in te parachuteren.
De grondbeginselen van het vak leerde Simon Carmiggelt, zoals alle journalisten, bij de schoolkrant. Het was De Schakelaar, orgaan van vierentwintig Haagse middelbare scholen. 'Daar zaten we dan met 24 jongelieden. Twaalf lelijke jongens, die zo aardig konden schrijven, en de 12 heerlijkste meisjes van die scholen, door ons gekozen als tweede redacteur.’ Hij begon als vijftienjarige en eindigde als achttienjarige. Nu, zestig jaar later, is dit de leeftijdscategorie der jeugdige volwassenen. Toen waren het nog kinderen die - zoals Simon - parmantige dingen over deze of gene onderwijskracht te berde brachten en brave gedichtjes over het Sinterklaasfeest bij elkander rijmden. 'Sneeuw, volmaakte winterstemming. Alles zachtjes, geen geraas. Avond grauwig over de huizen. Gordijnen dicht: ’t Is Sinterklaas.’
ER IS WEINIG CONTINUITEIT tussen dit puberale gehakkel, in poezie en proza, en de latere Carmiggelt, de auteur van even geslepen als elegante formuleringen. Wel ziet men al een spoor van Carmiggelts latere literaire voorkeuren. Hij schreef bijvoorbeeld (in 1930) een zeven jaar verlate recensie van Theo Thijssens Kees de Jongen (1923), eindigend met de oproep: 'Laat ik u vooral met aandrang verzoeken: Lees dit eerlijke boek en het zal boeien van ’t begin tot aan ’t juichende einde toe.’ Veel film- en toneelrecensies. Meestal met de hakbijl bedreven (’ ’t Was waarlijk een Tantaluskwelling’), zoals het in de jongelingsjaren gaat. Een enkele keer lovend, zoals die avond dat hij, met blocnote op de blote knieen onder de korte broek, zijn kritisch licht over het blijspel Schoenen liet schijnen: 'Het komt niet veel voor dat we ons zoo definitief “toejuichend” over dilettanten-prestaties kunnen uitlaten, maar dit keer kunnen we toch niet anders doen dan en Ank van den Moer en W. Kan de klassieke “groote pluim” te geven voor hun uitstekend spel. Na de pauze werd gedanst op de “hotte” klanken van “The Society Syncopators”.’
Hij kwam uit een verlicht middenstandsmilieu. Zijn vader verkocht overdag hoeden en petten en las ’s avonds boeken. Jan, de oudere broer, zou Simon voorgaan als journalist bij Vooruit, met muziek en economie als specialisme. Hun partij was natuurlijk de SDAP, rood, blauw, antifascistisch en antimilitaristisch. Of zoals Carmiggelt later zou dichten: 'Wij waren thuis de oorlog allerminst genegen… en sterke drank - ik was er vierkant tegen.’ In De Schakelaar publiceerde hij de bijpassende waarschuwende woorden: 'Van werkelijke beschaving kan in Nederland pas sprake zijn, als alle kroegen zijn gesloten en Schiedam met de grond gelijk is gemaakt.’ Dat er uiteindelijk niets van de sloop van ’s lands jeneversmidse terecht is gekomen, kan achteraf gezien als een zegen voor de Nederlandse literatuur worden beschouwd.
NA ZIJN SCHOOLTIJD volontairde Carmiggelt bij het conservatieve Vaderland, waar hij de stukken van een aartsluie collega schreef, om drie maanden later zelf wegens verregaande ledigheid op straat te worden gesmeten. Gelukkig was er een vacature bij Vooruit. Deze krant werd op idealistische basis gemaakt, door verslaggevers die een socialistisch hongerloon verdienden, bijgestaan door vrijwilligers die, voor hun pensionering, op socialistische wijze de tram hadden bestuurd en nu in negentiende-eeuws proza de verenigingsavonden versloegen. Daarbij vergeleken was de kersverse, negentienjarige verslaggever een profi. Hij deed de moorden en branden, openingen en vele, vele vergaderingen, van voor- en tegenstanders. In die zompige lokaaltjes heeft hij, naar eigen zeggen, de vervelendste uren van zijn leven gesleten, 'aan de voeten van redenaars over het eten van schijngehakt, het nalaten van boze aanwensels, het geloof in bovenzinnelijke dingen en het naakt lopen uit overtuiging.’
Toen hadden de kranten nog belangstelling voor het gewone kleine-mensennieuws: 'Met zijn ladder omgevallen.’ 'Rijwieldief betrapt.’ 'Konijnen gestolen - Uit een schuur in een der volkstuintjes aan de Loolaan zijn acht konijnen gestolen. Men had de toegangsdeur opengebroken.’
Of: 'Meisje breekt haar been.’ 'Lichtbeeldenavond De Natuurvriend.’ 'Ouderavond school de la Reynes - Nadat de jeugdgroep van de Nederlandse stucadoorsbond enige zeer verdienstelijke muziekstukjes ten gehore had gebracht, werd gepauzeerd en een kopje thee geschonken.’
Er bestaan wat foto’s uit Carmiggelts prille journalistentijd. De jonge journalist, in driedelig kostuum lezend in zijn kamertje, een stapeltje boeken op het bureau, beschenen door een Bauhauslamp. Carmiggelt, een stoere sigaret tussen de lippen, aan een tafel gezeten met zijn zeven Vooruit-collega’s, onder aanvoering van de vervaarlijke K. Voskuil, de latere hoofdredacteur van Het Vrije Volk. Carmiggelt op boksles (nota bene), want hij had ook de nazi’s in zijn portefeuille.
Dat was geen gemakkelijke klus. Men stelle zich voor hoe de verslaggever tijdens een NSB-bijeenkomst aan de perstafel zat om publiekelijk door zo'n leidinggevende zwarthemd te worden gekapitteld. 'Kameraden en volksgenoten’, sprak de man, 'in deze zaal is een verslaggever aanwezig van Het Liegt, het infame, rode dagblad der Joodse plutocraten…’
'Sla hem dood!’ riep iemand.
'Neen, kameraden en volksgenoten’, zei de leider, 'wij zullen hem geen kwaad doen, wij zullen hem alleen leren de waarheid te schrijven.’
Ja, zo word je, ondanks je principes, het cafe ingejaagd, vrijplaats met volledige vergunning, waar je je wonden kan likken. Carmiggelt schreef er ’s morgens zijn stukjes, terwijl elders in het etablissement aankomende grootheden als Paul Steenbergen, Caro van Eyk, Max Nord en Wim van Norden hun eerste kop koffie dronken. Het cafe was inmiddels, sinds hij zijn eigen cursiefje had, een onmisbare bron van inspiratie geworden. De ober was toen nog een 'obertje’, droevig sloffend in de richting van het buffet, onder waterig toezien van grote, blozende mannen, 'ten prooi aan alcoholische verhitting’. Na een wat moeizaam beginjaar had Carmiggelt de fundamenten gelegd van de sierlijke, pirouettesque stijl die zijn handelsmerk zou worden.
TUSSEN DE REGELS DOOR paradeerden zijn favoriete schrijvers. Heijermans. Tsjechov. Raymond Chandler moest hij nog ontdekken. Kurt Tucholsky speelde pas na de oorlog een rol in zijn leven. Carmiggelts grote, Antwerpse voorbeeld, daarentegen, schrijver van vergelijkbaar, kraakhelder proza… 'Maar Elsschot zeide al, dat tussen droom en daad practische bezwaren in de weg staan.’
Zelf introduceerde Carmiggelt de sukkel in de Nederlandse letterkunde:
'Het is waar, zei ik. Het klonk flets.’
'Da’s leuk, zei ik. Onze dialoog was niet van Shaw.’
Zijn antihelden droegen niet zelden een opstaand kuifje, wat mogelijk de mode van die dagen was. Zij hadden namen als Kereweer, Van Drimmelen, Maneschijn, Galgmans, Koosemeijer, Koelemans en Gertemeijer, namen die men zelfs in het Haagse telefoonboek niet zal vinden. Zij speelden hun rolletje in Carmiggelts burleske periode, een scheppingsfase die door de orthodoxe carmiggeltianen eigenlijk wordt gewantrouwd, want zij zien de schrijver liever geassocieerd met het Circus Melancholica uit zijn latere jaren, toen hij zelf een breekbare grijsaard met de bijbehorende oudedagsfilosofieen was geworden. De vrolijke, speelse, onbezorgde, nonsensicale, vooroorlogse Carmiggelt schreef echter reeds in zijn Haagse tijd kolderproza dat zelden meer is geevenaard, zelfs niet door de naoorlogse Carmiggelt.
Er wandelden, reeds toen, veel katten door zijn oeuvre. Soms een hondje, dat veelal Takkie heette. En veel kinderen, bewaakt door vrouwen die 'de moedertrots beoefenden’. Met name zijn jongste kind, het zoontje, werd de lezers als een dekselse schavuit gepresenteerd, die ruiten ingooide ('Ik voor mij geloof, dat hij graag glasgerinkel hoort, maar zo'n fatale voorkeur dient krachtig onderdrukt’) en baldadig 'Dag Pieperdepa!’ tegen zijn vader riep, even nadat hij diens postzegelalbum aan de schillenboer had geschonken.
Hij vierde de zesde verjaardag van het kind door hem, te zamen met een half dozijn andere ondermaatse feestgangers, het boek Vrolijke histories voor kleine kleuters voor te lezen.
De zesde verjaardag? In 1936, het jaar waarin het stukje is verschenen? Maar Frank Carmiggelt (1942), de jongere broer van Marianne Carmiggelt (1940), zou pas zes jaar later worden geboren, toen de rubriek Kleinigheden allang was opgeheven.
Nu weet ik best dat men de belevenissen in dit soort cursiefjes niet per definitie een biografisch karakter moet geven. Toch is het een merkwaardige ontdekking dat de man wiens werk na de oorlog zo zwaar op de familiebelevenissen zou leunen, voor de oorlog, toen hij nog een kinderloze vrijgezel was, een hok vol dartele nazaten uit zijn duim heeft gezogen. De toekomstige Carmiggelt- biograaf, wellicht geneigd ’s mans cursieve belevenissen al te letterlijk te nemen, mag wel oppassen!
DEN HAAG WAS UITEINDELIJK toch geen stad voor hem, met al die Haagse dames die allemaal Van Uffelen (van zichzelf een freule Hardenboer) heetten. Op z'n gunstigst! Hij voert in een van zijn stukjes zo'n lokaal secreet op, dat bij haar wijnhandelaar protesteert tegen het feit dat de nota aan mevrouw Tets Thoe Sloten- Gravemeijer van Oord was geadresseerd, in plaats van ('Heus meneer, u hoeft bij mij met al dit rooie gedoe niet aan te komen’) aan douariere G. F. H. J. W. L. Tets Thoe Sloten-Gravemeijer van Oord. Carmiggelt moet die 'sublieme Haagse dames’ hebben gehaat, met hun 'koude lachjes’ en hun 'manier van spreken die net een salarisklasse te deftig is’.
De Haagse heren waren trouwens eveneens een slag apart. Roodhoofdig van de port zat de soort in de herensocieteit en zei 'boy’ tegen de kelner, 'blijkbaar vergetend dat hij niet meer in Indie was’. De Telegraaf, deze 'fraai verzorgde gesel der beschaving’, was hun lijfblad en zij vonden zonder uitzondering, zonder NSB'er te zijn, dat Anton Mussert een kans moest krijgen.
Een aantal van deze Kleinigheden zijn later in Carmiggelts eerste bundels, Vijftig dwaasheden (1940) en Honderd dwaasheden (1946) afgedrukt. Zijn andere rubriek, Voor den politierechter, is echter onder het stof der vergetelheid begraven. Eveneens drie stuks per week, eveneens in de jaren 1936-1940 gepubliceerd.
Het was misschien geen grote journalistiek, maar gaf een scherp, onbehaaglijk stemmend beeld van al die ellende in de crisistijd.
Een bedelares had de pech gehad ('Ach, geef me een centje, want ik ben zo arm’) uitgerekend een politieagent aan te spreken. Twee jaar Veenhuizen.
Een handelsreiziger had in zijn drift een andere agent de woorden toegevoegd: 'Jij bent gek, je hebt geen hersens in je kop.’ Twee maanden cel.
Een timmerman had in zijn logement wat kleingeld gejat. 'Waarom deed je dat eigenlijk?’ vroeg de politierechter. 'Dat bennen de toestanden’, zei de verdachte. Twee maanden cel.
Een werkloze had een paar broden gestolen. 'Dat kunnen wij toch niet toestaan?’ verzuchtte de officier van justitie.
'Tja, u moogt dit toch niet doen?’ sprak de politierechter.
’M'n kinderen hadden honger’, zei de verdachte.
Een gulden boete.
Beroerd waren zij niet, de heren van de zittende en staande magistratuur. Wel waren zij standbewust, de gevangene van hun milieu, en dus tutoyeerden zij de verdachten alsof die bij hen op school hadden gezeten. Hun vonnissen ogen, met moderne ogen bezien, vaak extreem zwaar, maar eigenlijk konden de straffen die schlemielen, zwervers, landlopers en spiritusdrinkers, niet zwaar genoeg zijn; zij werden liever tot twee dan tot een jaar Veenhuizen veroordeeld, want dan hadden zij in elk geval twee jaar lang te eten en te drinken, ook al was het dan slechts water en brood.
Simon Carmiggelt schreef het allemaal op, getoonzet op het authenthiek socialistisch sentiment dat hij na de oorlog nooit zou verloochenen, ook al stond hij, wijs geworden, inmiddels op de behoudende vleugel van de sociaal-democratie. Hij had, inmiddels getransfereerd naar de reformistische Partij van de Arbeid, lering getrokken uit de jaren van oorlog en verzet. De vooroorlogse neutraliteitspolitiek van zijn SDAP, wist hij inmiddels, was een grote fout geweest. 'Wij waren wel verschrikkelijk antifascistisch’, zei de schrijver in een interview met Maatstaf (1970), 'maar aan de andere kant waren we zo defaitistisch als wat met onze gebroken geweertjes. We wilden Hitler bestrijden, maar tegelijkerheid hebben we het leger tot de grond toe geslecht. Ik weet nog altijd dat een socialistisch kamerlid zei: “Als de Duitsers komen, waarmee wil je ze dan tegenhouden? Met een eierlepeltje?” We vonden het schandelijk dat die man dat zei, maar hij had groot gelijk.’
HIJ MAAKTE ALS MIDTWINTIGER, ondanks al die ideologische ellende, een frisse en gelukkige indruk. En wist: ik ben nu nog een schraal betaalde waterdrager bij een verwaarloosbaar dagblad, maar ik schrijf beter dan wie ook, en dat zal zich straks kapitaliseren. Het waren voorlopig dagdromen, die door de oorlog werden doorkruist. De Arbeiderspers, de uitgeefster van de socialistische periodieken, telde tweehonderd journalisten, van wie drie man onmiddellijk ontslag namen toen het bedrijf in 1940 onder het toezicht van een nationaal-socialistische Verwalter werd geplaatst. Het waren de verslaggever Lex Althoff benevens de broertjes Jan en Simon Carmiggelt.
Simon was qua aandrift evenmin een held als al die antihelden uit zijn driemaalwekelijkse rubriekje. Niettemin, hij wenste ’s morgens in de spiegel te kunnen kijken 'zonder te hoeven braken bij zoveel lafheid’. Ach, mijn lieve God, het is allemaal - behalve met Simon - slecht afgelopen. Jan Carmiggelt, die joden hielp, stierf in een concentratiekamp. Lex Althoff, een van de medeoprichters van Het Parool, werd doodgeschoten, hetzelfde illegale dagblad waarbij Simon Carmiggelt inmiddels tot zijn nek toe betrokken was geraakt.
Hij scharrelde ondertussen om den brode wat met een obscuur blaadje dat 'Deze Week in Den Haag’ heette. Het was een comfortabele schnabbel: zijn redactionele bijdragen ontleende de schrijver vrijwel zonder uitzondering aan de Kleinigheden die een paar jaar eerder in Vooruit waren verschenen. Ondertussen werkte hij ondergronds. Maar wat doe je ondergronds in Den Haag, in de wetenschap dat de ware vlam van de antifascistische revolutie allang in Amsterdam ontstoken is? Dus verhuisde het gezin Carmiggelt, man, vrouw en twee kinderen, in 1944 naar de - tijdelijk onder buitenlands beheer staande - vrijstaat bezijden het IJ.
De nazi’s werden een paar maanden later weggejaagd, het ondergrondse Parool werd bovengronds en ontwikkelde zich die eerste naoorlogse jaren tot het toonaangevende dagblad van Nederland, mede dank zij de Amsterdamse humor, als geen ander gesymboliseerd door…
'Amsterdamse humor bestaat niet’, zei de cabaretiere Conny Stuart. 'Het is importhumor uit Den Haag.’