Carpe noctem

Strompelend verliet Kastaar het treinstation. Het duurde toch goed een half uur eer hij doorhad dat hij in een vreemd land vertoefde. Daar stond hij nu, duizend Belgische frank op zak, Europese muntunie mijn kloten, nergens een bank open, en als enig rantsoen een stuk om al bij al twee kleppers mee te draaien. Kastaar keek op zijn horloge.

Gelukkig was de zon al stillekes aan het ondergaan. Straks zou hij het Hannoverse nachtleven eens gaan ontdekken, het zou vast niet te lang duren of hij had een stuk verse dope in zijn pollen, genoeg om de nacht de baas te kunnen. Soort zoekt soort, dat kon ge niet verhinderen. Als er ergens in Hannover een drum ‘n’ bass-track door een vloer zou dreunen, durfde Kastaar er prat op gaan dat ze doorheen de aardkorst zich een weg zou zoeken naar Kastaars schoen- en voetzolen en hem naar de desbetreffende plek zou loodsen. Daar durfde hij zijn hand voor in het vuur steken. Het was alleen nog wachten op Fiston, die eindelijk vandaag vervroegd zou vrijkomen, aldus de geruchten. Zoiets moest gevierd worden. Filidoor had alvast enkele champagneflessen opzij gezet. Hij zou zijn kornuit Fiston hier eens gaan verwelkomen gelijk mannen Jupiler drinken, maar zonder daarom onnozel te doen ondereen, Fiston zou dat vast begrijpen, met een kop fris uit het gareel getrokken. Hoeveel zat er in kas vanavond? Filidoor had goed naar zijn baas gekeken, een goed directeur moest kunnen delegeren. Hij had Esther aangesteld om de telefoons te doen en de kas bij te houden. Ge moest het nuttige met het aangename vermengen. Filidoor had het te druk, zijn auto klaarstomen, de banden bijpompen, de voorruit wassen, voor de gelegenheid eens stofzuigen kon zeker geen kwaad. In zijn handschoenenkastje drie cassettes van Strictly Chilling, een stratenplan van Amsterdam en een paternoster. De grootste kerkenhater durfde hij dat op te biechten, hij de antichrist in persone, atheïst van lang voor de bevalling, schaamde zich niet in het minst een schietgebedje te prevelen bij momenten dat hij echt in zijn broek deed. Fiston voelde zich King Selassie bij zijn intrede in Kingston, zo cool als een kip skankte hij de keet binnen, overstelpt door begroetingen. Hoe hij het gesteld had, of hij in zijn gat had laten zitten, of er al iets te smoren viel in de nor? Fiston had geen zin voor praatpaal te spelen vanavond. Eerst een Mort Subite drinken, en dan proberen abrupt van golflengte te veranderen. 'Als het aan mij lag, Fiston, stak ik hier meteen een spliff op, dat weet ge, maar ik wil hier niet verantwoordelijk zijn als het hier ambras wordt.’ Filidoor stak Fiston een stick toe. 'Ge moogt hem aansteken.’ (Rudolf Mestdagh, held)