Carrièrebreuk

Zo is er een groot aantal beroepen die ik ooit, met alle hartstocht die ronddoolde in mijn jonge hart, koste wat kost wilde uitoefenen, maar waar ik nooit toe gekomen ben, iets waar ik God of mijn engelbewaarder of het grote communistische wereldkomplot of wie daar dan ook verantwoordelijk voor is, zielsdankbaar om ben.

Uitgever bijvoorbeeld. Wat een geweldig, mysterieus beroep. Toen ik een jaar of vijftien was nam mijn vader me wel eens mee naar Amsterdam, in onze oude hemelsblauwe Volvo Kattenrug. Mijn vader parkeerde de auto in een sjiek, saai laantje, de Mierenheuvelstraat of zoiets, doodde de motor maar liet de sleutels in het contact zitten zodat ik naar de radio kon luisteren, en zei: ‘Braaf zijn’, trok mijn pet over mijn ogen en verdween.
Ik draaide het autoraam open, leunde naar buiten en keek op naar het rijzige gebouw waar wij voor geparkeerd stonden. Er was een vals plat dat je op moest naar de voordeur, en daarnaast hing een vlekkerig schild met een intrigerend rijm: Coöperatieve uitgeverij/ De Bezige Bij.
Mijn vader had me verteld wat een uitgever was. 'Alle boeken die in de boekenkast staan, en in de boekenkast in de slaapkamer, en de kookboeken in de keuken, en jouw stripboeken, en de kranten die we elke dag krijgen, en jouw Eppo, en de Libelle, die worden allemaal gemaakt door Uitgevers. Zonder Uitgevers zou er niks te lezen zijn.’
Hij had mij verteld over nieuwjaarsfeesten op de Bezige Bij, die hij wel eens bezocht had in de tijd dat hij een verhouding had met een dichteres, een roodblond, spichtig meisje dat doodsbenauwd was voor de uitgever zelf, maar niet wilde wegblijven op de borrels. Zij had ooit haar gedichten opgestuurd omdat ze gehoord had dat de uitgeverij een eigen draaiorgel had, maar tot haar teleurstelling was er nooit een draaiorgel aanwezig. Alleen de uitgever zelf wilde wel eens wat zingen, zoals trouwens iedereen aan het einde van die feesten.
In mijn fantasie begon de Uitgever steeds imposanter vormen aan te nemen. Het hele gebouw, alle gangen en kamers leken me gevuld met de Uitgever, een tot berstens toe gezwollen organisme, een mierenkoningin die onafgebroken boeken, kranten en tijdschriften produceerde. Nijvere medewerkers zwermden om de Uitgever heen met voedsel en witte wijn en sigaren, terwijl anderen de onafzienbare productie op pallets laadden.
Iets in mijn buik begon te trillen, alsof ik een mondharpspeler had ingeslikt.
De autodeur sloeg. 'Zo jong’, zei mijn vader. 'Niet verveeld?’ Hij startte de auto.
'Pap, mag ik uitgever worden?’ vroeg ik.
'Welja’, zei hij. Of hij op dat moment gedacht heeft aan alle valse hoop, ijdele verwachtingen en gebroken beloften die met dat beroep verbonden zijn, lijkt me onwaarschijnlijk. Waarschijnlijk vertrouwde hij erop dat ik vanzelf wijzer zou worden. Dat zag hij goed, want kort daarop gaf ik het plan op, omdat ik mijn ware roeping vond: toneelschrijver. Dat had ik te danken aan een actrice die ik ontmoette tijdens een auditie, een stroblonde diva met een neus als de sfinx van Gizeh en een moedervlek onder haar rechtertepel, net alsof ze drie tepels had. Haar favoriete drankje was Jameson, wat ze uitsprak als: 'Jámmesen’. Steeds als ze dat deed was het of ik spiernaakt kopje onder ging in een Iers loch.
Dat jaar schreef ik drie toneelstukken voor haar. Daarmee ging ik op zoek naar een uitgever.