De droevige geschiedenis van een stad

Carthagoland, gezellig

Tunesië, en met name president Ben Ali, heeft Carthago altijd vooral gezien als iets om goede sier mee te maken en profijt uit te trekken. ‘Maar dat betaalt zich niet uit in goede zorg voor de archeologische erfenis.’

Ter voorbereiding van zijn roman Salammbô verbleef Gustave Flaubert in 1858 vier dagen achtereen op het terrein waar ooit het Punische Carthago had gestaan. Het Carthago van Hamilcar Barca dus, de vader van Hannibal. En van Moloch, de godheid die om kindoffers vroeg. En van het huurlingenleger dat zich in 241 voor Christus opmaakte voor een beleg dat het decor zou vormen van Flauberts hallucinerende boek. Op de boot die hem naar Tunis bracht had hij de nacht voor aankomst niet kunnen slapen, zó benieuwd was hij naar wat hij van het glorieuze Carthago zou aantreffen.

Maar hier wachtte hem een teleurstelling. De tempelresten die hij verspreid over het gebied aantrof brachten hem weliswaar in vervoering, maar ze dateerden van de Romeinse en de Byzantijnse periodes. Het Carthago dat Flaubert wilde beschrijven was na afloop van de Derde Punische Oorlog vrijwel geheel door de Romeinen vernietigd. Hij zou alles moeten reconstrueren, hield hij de gebroeders Goncourt na terugkeer in Frankrijk voor tijdens een diner. Het nam niet weg dat Flaubert zich uitstekend had vermaakt. ‘De hemel is schitterend’, schreef hij op 8 mei 1858 aan een vriend, de toneelschrijver Ernest Feydau. ‘Het meer van Tunis is zowel ’s avonds als ’s ochtends bedekt met groepjes flamingo’s die, wanneer ze opstijgen, het aanschijn van zwarte en roze wolkjes hebben.’

Die flamingo’s zijn er nog steeds. Net als Romeinse tempelresten waar Flaubert te paard doorheen reed. En het uitzicht over de baai van Tunis is ook nog altijd even fabelachtig. Uitkijkend vanaf het terras van een van de gerestaureerde antieke villa’s stel je je de machtige vloot van Carthago voor, zich opmakend voor een strooptocht langs de Middellandse-Zeekust.

Franse amateurarcheologen stuitten in 1921 op de tofet, het heiligdom waar Tanit en Baal werden vereerd en waar zich een groot aantal kindergraven bevindt. De kandidaatstelling voor Werelderfgoed van Unesco in 1972 opende de weg voor een keur van internationale archeologenteams. Een Brits team nam de befaamde cirkelvormige haven onder handen. Een Duits team legde een onbekende Apollotempel bloot.

Het neemt allemaal niet weg dat wie vandaag de dag het uitzicht van Flaubert wil hebben behoorlijk zijn best moet doen. Tunis, op zo’n twaalf kilometer afstand, aan de overzijde van de vlakte, is flink opgerukt. Een chique buitenwijk, die eveneens de naam Carthago draagt, heeft zich om de eeuwenoude ruïnes gedrapeerd. Het treintje dat het centrum van Tunis met de badplaats La Marsa verbindt loopt rakelings langs het archeologische park. Er pal naast staat het presidentieel paleis.

Dat is misschien nog wel het grootste ongeluk van Carthago: het bevindt zich op een van de meest gewilde stukjes bouwgrond van Noord-Afrika. Daarbij komt dat de tempelresten, villa’s, grafheuvels en amfitheaters zich niet op één afgebakend terrein bevinden, maar zijn verspreid over een complex van ruim zeshonderd hectare. Tussendoor schoten vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw villawijkjes op. De antieke haven is omzoomd met kitscherige huizen. Hier resideert de elite van Tunis, de zakenmannen, bankiers en consultants die overdag kantoor houden in de naburige wijk Les Berges du Lac.


‘De druk op de Tunesische overheid om bouwgrond vrij te geven is altijd groot geweest in het gebied’, zegt Roald Docter, hoogleraar archeologie aan de Universiteit van Gent. Vooral de afgelopen twee decennia ging het hard. De Nederlander schat dat inmiddels tien procent van het archeologische park is afgeknabbeld door projectontwikkelaars. De in 2011 verjaagde president Zine el Abidine Ben Ali bood daarbij graag de helpende hand. In een aantal gevallen werden op zijn voorspraak delen van het archeologisch park van de Unesco-lijst gehaald zodat er ongehinderd kon worden gebouwd. Op de plaats waar een ontvangsthal voor toeristen gebouwd zou worden verrees een nachtclub.

Docter verrichtte jarenlang veldwerk in Carthago. Maar vooral in de laatste jaren van Ben Ali frustreerde de wijze waarop de Tunesische autoriteiten met het erfgoed omsprongen hem verschrikkelijk. De revolutie die een eind maakte aan diens regime had zo haar eigen leed voor het archeologisch park in petto. Met het Duitse team waarin hij werkte had Docter een tempeltje blootgelegd met daarin de tot dusver oudst bekende afbeelding van de godheid Tanit. In de roerige periode van de revolutie, waarin de Tunesische overheid disfunctioneel was en Carthago goeddeels onbewaakt, werd het heiligdom zwaar gevandaliseerd.

Voor de hedendaagse Tunesiër is het Carthaagse erfgoed altijd een bron van nationale trots geweest. Maar volgens Hatem Bourial voelt die zich daar verder niet op een dieper niveau mee verbonden. De Tunesische dichter en theatermaker vertelt met passie over de Punische beschaving, maar steeds met het voorbehoud dat het de doorsnee Tunesiër allemaal maar bar weinig interesseert. ‘Die associeert “Carthago” met het internationale vliegveld Tunis-Carthage of anders met de dure wijk waar het presidentieel paleis zich bevindt’, zegt hij.

Op de plaats waar een ontvangsthal voor toeristen gebouwd zou worden verrees een nachtclub

Volgens Bourial, die een publicatie voorbereidt over de reis die Louis Couperus in 1920-21 door Tunesië en Algerije maakte, heeft slechts een kleine elite weet van de geschiedenis van de illustere voorvaderen: ‘Natuurlijk, schoolklassen uit het hele land worden het terrein over gejaagd, maar wat steken ze daar nu werkelijk van op? Er is hier een bekend sigarettenmerk dat een afbeelding van Tanit als logo heeft. Ik wed dat er maar heel weinig Tunesiërs zijn die kunnen vertellen waar dat precies voor staat.’

Volgens Bourial hebben veertien eeuwen Arabische en islamitische geschiedenis het antieke verleden op onbereikbare afstand gezet. Inderdaad krijgen pogingen om de Punische beschaving bij de moderne Tunesische nationale identiteit te betrekken al snel wat onbeholpens. Zo legt Mustapha Khannoussi, de huidige directeur van het archeologisch park van Carthago, in de tentoonstellingscatalogus een verband tussen de vrijheid van de Tunesische vrouw en het feit dat Carthago door een vrouw (Dido) werd gesticht. Bourial wijst erop dat iemand als president Habib Bourguiba, de stichter van het moderne Tunesië, zich juist identificeerde met de Numidische beschaving, ten westen van Carthago. ‘Carthago, dat was de kust, de handel, de gerichtheid naar buiten – als er één aspect zou moeten zijn waarmee het moderne Tunesië zich kan identificeren, zou het dat zijn. Tachtig procent van onze handelsbetrekkingen vindt plaats met Europa, dat weet iedereen.’

in de maanden na de vlucht van Ben Ali werd de volle omvang duidelijk van de schade die de president en zijn corrupte schoonfamilie in Carthago hadden aangericht. Niet alleen hadden projectontwikkelaars jarenlang de vrije teugel gekregen, nu bleek ook dat de in allerijl verlaten villa’s van Ben Ali en zijn clan uitpuilden van antieke kunstvoorwerpen, vaak nog met het stempel van het Instituut van het Nationale Erfgoed (inp). De Tunesische website Nawaat onthulde dat er tevens op enorme schaal gesmokkeld was. Mozaïeken, beeldhouwwerken, juwelen, keramiek, muntcollecties en antieke korans – het bleek allemaal te zijn geroofd en doorverkocht aan rijke verzamelaars in de Perzische Golf. In 2012 werd Mohamed Beji Ben Mami, tot de revolutie directeur van het inp, tot vier jaar cel veroordeeld omdat hij jarenlang met het regime onder één hoedje had gespeeld.

Volgens de archeoloog Abdelmajid Ennabli legt de affaire pijnlijk de contradictie bloot in de houding die de Tunesische autoriteiten ten opzichte van Carthago aannemen. ‘Naar buiten toe wordt er steeds goede sier mee gemaakt, maar dat betaalt zich vervolgens niet uit in goede zorg voor de archeologische erfenis.’ Ennabli (geboren in 1937) is in Tunesië niet zomaar iemand. In 1972 was hij een van de initiatiefnemers van de campagne die zou uitmonden in de opname van Carthago op de werelderfgoedlijst van Unesco. Decennialang was hij vervolgens hoofdconservator van zowel het archeologisch park als het Bardomuseum in Tunis. De contradictie was volgens hem al zichtbaar tijdens de allereerste expositie, toevalligerwijs eveneens in het Rijksmuseum van Oudheden. Daar werd in 1973-74 een serie mozaïeken tentoongesteld. ‘Dat was allemaal heel nauwkeurig voorbereid in samenwerking met J.W. Salomonson, de conservator in Leiden.’ Maar zonder dat daar van tevoren ooit sprake van was geweest zou de expositie aansluitend nog jarenlang langs Europese steden reizen. ‘Het diende een politiek doel, want het was schitterende reclame, maar voor de mozaïeken zelf was al het gesleep te belastend.’

Op 3 februari 2011, ruim twee weken na de vlucht van Ben Ali, lanceerde Ennabli met vrienden een petitie onder het motto ‘Red Carthago’. Tegelijkertijd deed hij een boekje open over de praktijken van de inmiddels ex-president en zijn trawanten. ‘Eerder had onmogelijk gekund, ze zouden ons kapotgemaakt hebben’, zegt hij.

Het nam niet weg dat Ennabli, die al weer jaren met pensioen is, tijdens zijn werkzame leven deed wat hij kon om zakenmannen en politici die het op de grond in en rond het opgravingsterrein gemunt hadden te dwarsbomen. Zo wist hij een plan om de antieke haven tot jachthaven te transformeren te elfder ure af te wenden. Steeds sluwere listen moesten eraan te pas komen. Op een bepaald moment had Ben Ali zich in het hoofd gehaald dat er een gigantische moskee moest komen, de grootste van Noord-Afrika. Een terrein werd aangewezen dat deel uitmaakte van het archeologisch park van Carthago.

Docter, de hoogleraar uit Gent, herinnert zich hoe Ennabli een offensief begon om de moskee op een naburige heuvel gebouwd te krijgen, ver van het opgravingsterrein. ‘Hij zei: “Als jullie hem daarop bouwen valt de minaret hoger uit dan de kathedraal die door de Fransen werd gebouwd.”’ De beleidsmakers trapten in de val. Een archeologische catastrofe was afgewend.

Ennabli zelf blijft bescheiden over zijn rol. ‘Er zijn geen helden in dit verhaal’, zegt hij. ‘Het is bovenal een droevige geschiedenis.’ Sinds de val van Ben Ali werd er schoon schip gemaakt in het inp. De hoofdverantwoordelijken verdwenen achter de tralies of werden bij verstek veroordeeld; lager personeel werd met pensioen gestuurd. Toch vreest Ennabli dat er binnen de Tunesische overheid nog steeds de neiging is om Carthago toch vooral te zien als iets om goede sier mee te maken en profijt uit te trekken. ‘Ik hoop dan ook vurig dat bezoekers van de expositie in Leiden de kunstvoorwerpen zullen bewonderen, maar dat ze zich tegelijk de vraag zullen stellen naar wat de Tunesische overheid met Carthago zelf doet, of ze bereid is daar vanaf nu wél goed voor te zorgen.’


Marijn Kruk is Noord-Afrika- en Frankrijk-correspondent van De Groene Amsterdammer

Beeld: De oude haven van Carthago anno nu/Nick Hannes / HH