iZikhothane is de nieuwste rage in Zuid-Afrika

Carvela’s en gouden tanden

Merkkleding verscheuren en dure schoenen in de fik steken: in Zuid-Afrikaanse townships doen jongeren alles voor een beetje respect. De suburb-jeugd kijkt erop neer, en voor arme families is het een ramp.

MET EEN QUASI-VERMOEIDE zucht pakt Mbali mijn notitieblok en schrijft: ‘Okhu wrong khu write.’ Oftewel: 'Het verkeerde doen is goed.’ Haar credo, en dat van haar makkers.
Het is vrijdagmiddag, warm en loom, als we met zijn zessen door Dorothy Nyembe Park in Soweto lopen, de miljoenentownship zo'n twintig kilometer ten zuidwesten van Johannesburg, ooit gebouwd om te voorkomen dat zwarte arbeiders de blanke stad zouden bevolken. Er hangen ontelbare jongeren rond. De oudsten zijn rond de twintig, de jongsten een jaar of zes. De ouderen drinken, de jonkies gooien de lege flessen kapot tegen de rotsen in het riviertje dat het park doorsnijdt. Uit een geparkeerd taxibusje klinkt ongegeneerd hard driftige Zuid-Afrikaanse housemuziek. Armen en benen steken uit de ramen. De inzittenden lachen en gillen. Af en toe zeilt er een leeg blikje naar buiten.
In het park klitten de jongeren in groepjes bij elkaar, flessen in de hand. Ze luisteren naar muziek die als dungesneden metaal uit een mobieltje klinkt, of ze wachten op wat er gaat gebeuren. Wat dat precies is, is onduidelijk. Aan de overkant van het water is een opstootje. We snellen erheen. Een dikke jongen in een geel voetbalshirt krijgt klappen en trappen van drie, vier, vijf kleine jochies. Huilend vlucht hij weg, nagezeten door de kleintjes. De kinderen joelen. Mbali kijkt me veelbetekenend aan. 'To do wrong is right.’
In de wijde omtrek is er geen volwassene te bekennen, laat staan politie. Ik ben hier gekomen met vijf zwarte tieners: twee achttienjarige jongens, Bongani en Nhlanhla, en drie meiden Rifilwe (17), Mbali (16) en haar even oude nicht Thabisilwe die graag met de piercings pronkt die als twee duveltjes uit haar tong steken. Ze verzekert me dat de jongens er dol op zijn. We moesten eerst naar de drankzaak om daar 24 flessen cider in te slaan. Daarna reden we naar een ander park, maar daar maakten amavandals, hooligans, de boel met stokken onveilig. 'Dat zijn de jongens die aan treinsurfen doen’, vertelde Mbali. Iedere maand komen er in Soweto wel een paar waaghalzen om het leven. De grootste stunt is om onder de rijdende trein te hangen.
Wij willen geen vandalen of treinsurfers, wij zijn op zoek naar iZikhothane, de nieuwe rage die de schooljeugd van de zwarte townships in zijn greep heeft, een mix van modeshow, danscompetitie, machogedrag en peperduur nihilisme. Bongani, alias 'Sex’, zit in de Hot Obvious Crew. Hij heeft andere kids de iZikhothane-danspassen geleerd en noemt zich nu 'master’. Volgens hem is de rage uit de oostelijke townships Kathlehong over komen waaien. Anderen zeggen dat het in Daveyton is begonnen.
Hoe dan ook, de essentie is hetzelfde, legt Bongani uit. Het gebeurt op feestjes, in parken en soms op straat. 'Als ik voor vijfduizend rand (vijfhonderd euro) aan kleren draag, dan moet ik dat laten zien, ik moet tonen wie het rijkst is.’ Je schept op dat je meer meisjes en meer geld hebt dan de ander. Je daagt je tegenstander uit. Je gebruikt woorden als mitrailleurvuur, in kasietaal, de taal van de lokasie, de township, een mix van Sotho, Zoeloe, Engels, maffiadialogen en neologismen. Je vertelt de ander dat hij een armoedzaaier is, een lui varken. Hier, zeg je, laat ik je een paar honderd rand geven zodat jij je ook eens behoorlijk in de kleren kan steken. Onderwijl drink je - J&B, Hennessy of cider. En je danst, op die driftige townshiphouse. De meiden moedigen je aan. Dan trek je bijvoorbeeld je schoenen uit en geef je je opponent daarmee een 'one-point-five slap’, een klap van anderhalfduizend rand, de waarde van jouw Carvela-schoenen. En daar mag hij blij mee zijn, dat je hem zo verwent. Natuurlijk probeert hij jou dan te overtreffen door zijn Paul Smith-shirt uit te trekken en het te verscheuren. Daar moet jij dan weer iets tegenover stellen. Dus jij pakt een blik benzine en steekt die Carvela’s van 150 euro in brand. De meiden gillen. Nou hij weer. Waar het uiteindelijk om gaat is dat jij met die mooie meid aan je arm wegloopt. Meid? Meiden! 'Ze zien dat jij degene bent die met geld smijt. Ik heb veel meiden gehad. Ja, altijd met condoom. Het is allemaal enorm opwindend. Je kleding geeft je respect’, zegt Bongani. 'Het is een ziekte.’
Elke week gaan hij en zijn makkers kleren kopen. Merkkleding, liefst Italiaans. Schoenen van Carvela, een shirt van Roberto Cavalli, een riem van Calucci. Dat soort werk. En de ouders moeten dokken. Bongani’s ouders scheidden toen hij zeven was. Hij is hun enige kind. Hij speelt ze tegen elkaar uit. Ma, kijk eens wat pa me heeft gegeven. Het werkt. Ze zijn al lang blij dat hij weer regelmatig thuis slaapt en nog steeds naar school gaat.
Ook meiden doen mee. Mbali vertelt dat ze morgen op een feest vijfduizend rand aan kleren gaat verbranden. Ze komt nog vijftienhonderd rand tekort, die moeten haar ouders haar geven. 'Ze vragen niks. Ze weten dat ik alleen merkkleding draag’, zegt ze en somt de waarde van haar outfit van vandaag op: schoenen veertienhonderd rand, broek vierhonderd rand, jack zevenhonderd rand, T-shirt 250 rand, gouden tand duizend rand. 'Mijn ouders moeten dokken. Ik verwacht niet anders. Ik heb er toch niet om gevraagd om op aarde te worden gezet?’
Waarom doet ze het? 'Roem’, zegt ze. 'Fun and fame! To do wrong is right!’

HET BRAGGING met dansen en kleren is niet nieuw in Zuid-Afrika. In het kale mijnwerkershostel in Jeppestown, Johannesburg, werden jarenlang iedere zaterdag danscompetities gehouden, waarbij mannen van de verschillende teams, swankas, zich in identieke, opzichtige kleren staken en het tegen elkaar opnamen. Maar die mannen, volwassenen, misten het ongegeneerde consumentisme van de iZikhothane. De organisatie was perfect en er werd niets vertrapt of verbrand, en er werd gedanst op een mix van traditionele Zoeloe-muziek en gospel. Er waren echte prijzen.
iZikhothane is een puur townshipfenomeen. De welgestelde zwarte kids uit de suburbs kijken erop neer. 'Carvela’s en gouden tanden, dat is getto’, zegt de 22-jarige studente Yanga Pampatha, gespecialiseerd in mode. Suburban kids gaan voor de hiphop-look of kleden zich als metroseksuelen met halflange broeken en strakke T-shirts om hun vetvrije bovenlijf. 'Bij de suburban jeugd gaat het erom dat je opvalt door niet op te vallen. Ze kleden zich allemaal even cool en stylish. Maar township kids, die willen echt shine. Dus die zullen glimmende groene Carvela’s dragen die je op een kilometer afstand ziet’, vertelt de zestienjarige Hloni Dichabe, lid van de Junior Board of Directors van HDI Youth Marketeers, een organisatie die bedrijven adviseert bij marktonderzoek en product placing onder jongeren.
Dit is de 'vrije generatie’, de jongeren die de vernederingen van apartheid alleen uit verhalen kennen, een generatie die vindt dat ze het volste recht heeft op een goed leven. 'Het gaat om luxe’, zegt Yanga. 'Een comfortabel bestaan, met een creditcard, reizen, vakantie.’ Tot de statussymbolen behoren, naast merkkleding, een BlackBerry Torch en een Volkswagen Polo. Als je het helemaal hebt gemaakt dan drink je Johnny Walker Blue Label of Moët & Chandon. De verlangensmachine wordt gevoed door Amerika en muziekvideo’s. Beyoncé en Rihanna voor de meiden, Jay-Z en Lil Wayne voor de jongens. Gelezen wordt er nauwelijks meer, zelfs geen tijdschriften. De informatie wordt verspreid via Facebook en BBM. 'Televisie is als radio, die klinkt op de achtergrond terwijl jij met je mobieltje speelt’, zegt Hloni van HDI.
Rolmodellen? Ja, ze kennen de geschiedenis. 'Onze ouders waren slaven van apartheid. Ze zijn gestorven voor onze vrijheid’, zegt Bongani, als we bij de ingang van Soweto’s Maponya Mall een standbeeld zien van Hector Pieterson, de eerste scholier die bij de Soweto-opstand van 1976 werd doodgeschoten. Maar zijn held is niet Nelson Mandela of Desmond Tutu, maar lokale muzikanten als DJ Fresh en DJ Sbu. De meiden bewonderen Khanyi 'Queen of Bling’ Mbau, en iedereen is dol op de superstrak geklede zakenman Kenny Kunene, die ooit werd veroordeeld wegens fraude, weer vrijkwam, razendsnel rijk werd en nu de exclusieve club ZAR runt. Voor alle duidelijkheid: ZAR staat voor 'geld’, het is de code voor de Zuid-Afrikaanse munteenheid. Kunene haalde alle kranten toen hij vorig jaar voor zijn veertigste verjaardag de gasten uitnodigde om sushi van de lijven van naakte modellen te eten.
Een andere held is Julius Malema, de leider van de ANC-Jeugdliga die graag controversiële dingen roept over nationalisatie van mijnen. Malema werd in korte tijd stinkend rijk dankzij overheidscontracten die hij op listige wijze in de wacht sleepte. En daarom, veel meer dan om zijn politieke denkbeelden, oogst hij bewondering. 'Voor goedopgeleiden is hij een voorbeeld van een slimme vent die het systeem handig gebruikt’, zegt Yanga.’ Voor de laagopgeleiden symboliseert hij hoe je uit de armoede kunt ontsnappen.’

ARMOEDE. Het woord echoot na en blijft hangen. Armoede is een gigantisch probleem in Zuid-Afrika. Het officiële werkloosheidscijfer schommelt rond de 25 procent, maar onder zwarte jongeren ligt het een stuk hoger. Bovendien kent het land de grootste inkomensverschillen ter wereld. De armoede is overal, bij de stoplichten waar de schooiers hun hand ophouden, in de straten waar sloebers het huisvuil doorwroeten, en natuurlijk ook in de eindeloze townships waar de kids hun nihilistische branddansen uitvoeren.
De 45-jarige dramaturg Bongani Linda werkt al zo'n twintig jaar met kansarme townshipkids voor zijn Sonqoba Theatre Company. Tijdens apartheid vocht hij met de ANC-comrades tegen de apartheidspolitie. Zijn generatie staat bekend als de 'verloren generatie’, omdat zij leefde volgens de slogan 'liberation before education’. Linda heeft dankzij onvermoeibaar werk zijn theatergezelschap tot een succes gemaakt. Hij is geschokt door de iZikhothane-mentaliteit. 'Dit is de Coca-Cola-generatie’, foetert hij thuis in Soweto’s Orlando West. 'Ze zijn verward. Ze hebben verder niets dat hen bindt. Het gaat alleen om stijl en lol. Het is geef, geef, geef. Ze hebben geen ambities. Apartheid gaf ons tenminste een gezamenlijk doel. Wij hadden een stem, heel Zuid-Afrikaans.’
In zijn jonge dagen was Linda een pantsula, lid van een subcultuur die in zijn woorden was gebaseerd op 'a lifestyle of daring and hard living’. De pantsula’s luisterden naar de Zuid-Afrikaanse bubblegum-muziek van de ruige Brenda Fassie die in 2004 op 39-jarige overleed na weer een nacht vol cocaïne. Natuurlijk, ook voor de pantsula’s was kleding belangrijk. 'Maar wij probeerden niet om Amerikaans te lijken’, zegt Linda.
In de jaren negentig maakte bubblegum plaats voor kwaito, dansmuziek die het midden hield tussen vertraagde house en hiphop en die de soundtrack werd voor de 'bevrijding’ van 1994. Ook kwaito-artiesten gedroegen zich luid en kleedden zich opzichtig, maar zij sneden in hun teksten ook regelmatig sociale onderwerpen aan. Met de kwaito-fans voelde Linda nog wel verwantschap. 'Dat was een voortzetting van de pantsula-stijl.’ Maar die jonge generatie, die Coca-Cola-kids, die heeft geen boodschap aan kwaito of de bevrijding. Ze zijn ongeremd en ongeleid, een Zuid-Afrikaanse variant op James Dean als hij in Rebel Without a Cause in zijn auto op de afgrond afstevent.
Linda geeft het voorbeeld van zijn jonge neef, die gold als de 'king of the trainsurfers’, steeds extremere dingen deed en uiteindelijk betrokken raakte bij een dodelijke schietpartij. Hij zit nu 25 jaar gevangenisstraf uit. Of neem zijn eigen dochter. Ging netjes studeren. Maar raakte zwanger. En niet één keer, nee, twee keer. Resultaat: studie voortijdig beëindigd en Linda kan voor de dochter en haar kroost opdraaien. 'In dit huis wonen achttien mensen, en er werken er drie’, zegt hij.
Hoe verklaart hij dat losbandige, onverschillige gedrag van de townshipjeugd? 'Ze willen gehoord worden, begrepen worden, maar niemand begrijpt ze. Ze moeten zich doen gelden om de samenleving binnen te treden. Ze willen respect - op een goedkope manier. Ze zijn boos. Boos omdat de gezinsstructuur in elkaar is gedonderd. Hun leven draait om geld, roem, macht en de dood. Ze worden omringd door de dood. Dit is de aidsgeneratie’, zegt hij en vertelt over kinderen die opgroeien als aidswezen. In families breken soms ruzies uit over wie zich over hen mag ontfermen. Een aidswees brengt maandelijks immers 1080 rand overheidssubsidie in het laatje, een extra minimumloon. 'Zo'n kid weet dondersgoed dat hij goed is voor zo'n bedrag en komt met allerlei eisen’, zegt Linda.

DE ZIEKELIJKE hang naar merkkleding is funest voor arme gezinnen. In oktober verscheen er een documentaire over iZikhothane op de televisie, waarin het belang van Carvela-schoeisel werd benadrukt. De chique schoenenzaak Spitz in de Maponya Mall zette die maand meteen dertigduizend euro extra om, oftewel tweehonderd paar Carvela’s. De jongeren smeekten hun ouders om die schoenen van 150 euro. 'Je hebt ouders’, zegt Linda, 'die naar de mashonisa’s (woekeraars) moeten om geld te lenen om te zorgen dat hun kinderen indruk maken op hun leeftijdgenootjes. Ze sturen hun kinderen naar scholen die ze niet kunnen betalen en ze kopen veel te dure kleren.’
De 28-jarige Jessica Oosthuizen, analist bij HDI Youth Marketing, is milder. 'Die ouders behoren tot een generatie die tijdens apartheid geen privileges kende. Zij willen dat hun kinderen alles krijgen wat zij hebben moeten missen.’
Ook in wetenschappelijke kringen begint de interesse voor de Coca-Cola-generatie te groeien. Psycholoog Malose Langa onderzocht voor de Universiteit van Witwatersrand de vraag wat het betekent om een jongen te zijn in de townships. Na 1994, vertelt hij, verdween de politiek uit de jeugdcultuur en werd het klassenaspect de beslissende factor voor saamhorigheid. Aan de ene kant kreeg je een snel uitdijende zwarte middenklasse die van de townships naar de suburbs verhuisde. Die jongeren luisteren naar hippe radiostations als YFM, gaan naar privé-scholen en sjouwen rond in trendy suburban shopping malls als The Zone. Ze dragen geen Carvela’s maar Timberlands of T-shirts met slimme, zelfbedachte slogans. Ze worden door hun leeftijdgenoten uit de townships amabujwa genoemd, bourgeois.
En dan heb je de kinderen van ouders die niet uit de townships hebben kunnen ontsnappen. Dat zijn de kids die rondhangen in de parken en op de straathoeken en onder wie de iZikhothane-rage aanslaat. 'Als psycholoog vind ik het feit dat ze spullen verbranden het meest opmerkelijk. Het heeft iets heel gewelddadigs, iets suïcidaals: verbranden en feestvieren. Er spreekt een onderbewuste wens uit om jezelf te verbranden. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om een gevoel van verlies, dat ze niet kunnen articuleren.’ Waar dat gevoel van verlies precies in zit is moeilijk aan te duiden. Deels heeft het, zoals Linda al zei, te maken met gedesintegreerde familiestructuren en afwezigheid van een of beide ouders. Dat in combinatie met overdaad en gebrek aan ambitie, een soort townshipvariant op Nirvana’s 'here we are now, entertain us’. Alle kids die ik spreek zijn opvallend hoopvol over de toekomst. Zij zijn de eerste vrije generatie. Alles is mogelijk. Dat zien ze in de eindeloze reeks soaps die de Zuid-Afrikaanse staatsomroep SABC dagelijks uitzendt. Ze vergapen zich aan Kenny 'sushi’ Kunene en zijn 'rags to riches’-verhaal. Ze grinniken om naaktfoto’s van Khanyi 'Queen of Bling’ Mbau op het internet. Dat is het ware leven. Dat spelen ze na.
'Dat is voor de regerende partij, het ANC, natuurlijk prettig’, zegt Langa. 'Als die kids wel een politiek bewustzijn hadden, zouden ze een gevaar betekenen. Maar het is een generatie van hoop, ook al zijn er al heel veel buiten de boot gevallen. Het meest opmerkelijk is dat ze niet veel meer naar de misdaad of drugs neigen.’
We zijn terug in het Dorothy Nyembe Park in Soweto, op zoek naar dansen en verbranden. Bij het water vinden we een groepje jongeren die volgens Bongani iZikhothane zijn. Een jochie van een jaar of veertien doet de koptelefoondopjes van zijn mobieltje in zijn oren en begint te bewegen, een razendsnelle voetendans die het midden houdt tussen iets robotachtigs, iets traditioneels en tuimelende dronkemansstappen. Af en toe verliest hij een oortelefoontje en moet hij even stoppen. De meisjes gillen. Maar na een minuut is het alweer afgelopen en loopt iedereen weg, machteloos op zoek naar ander entertainment. Daar in de verte lonken de lichten van downtown Johannesburg. Maar zij zitten hier vast, in hun wilde lichamen.
We lopen naar het parkeerterrein waar het taxibusje met die bonkende luidsprekers schokkend en schuddend wegrijdt naar een of ander feest waar waarschijnlijk wel verbrand zal worden. Een dronken Thabisilwe steekt haar dubbelgepiercte tong in de mond van een jongen met een luipaardhemdje. Ik vraag de stille Nhlanhla waarom hij in een versleten T-shirt en goedkope jeans loopt. 'Nee, nee, morgen moet je komen’, verweert hij zich, 'dan draag ik dure spullen. Dan ga ik voor tweeduizend rand verbranden.’
We rijden terug naar de wijk Dube, waar het vijftal woont. De meiden gaan er eerder uit. Ik open de kofferbak om ze de resterende flessen cider te geven. Als ik de bak dichtsla zie ik Nhlanhla in het bakje met los geld naast de handrem graaien, het bakje met de dubbeltjes en de stuivers voor de schooiers bij de stoplichten. 'Hé, niet doen!’ roep ik. Gedwee legt Nhlanhla het koper terug. 'Het was om een sigaret van te kopen’, zegt hij. Maar morgen, morgen gaat hij voor tweehonderd euro kleren verbranden. Morgen.