Carver kortwieken

Een recensent schreef in 1981 over Raymond Carvers werk: ‘In Carvers stiltes wordt veel van wat onzegbaar is gezegd.’ Die stiltes waren vaak het resultaat van schrapwerk.

Raymond Carver, Beginners. Vertaald door Sjaak Commandeur, € 24,95
Raymond Carver, Beginners. € 17,95

Op 8 juli 1980 schreef Raymond Carver in de vroege ochtend een hartstochtelijke brief aan Gordon Lish, zijn vriend en redacteur bij Alfred A. Knopf, waarin hij hem smeekte om vergeving, maar erop stond dat Lish de verschijning zou tegenhouden van Carvers verhalenbundel What We Talk About When We Talk About Love. Carver was de hele nacht opgebleven om de rigoureuze ingrepen van Lish te bestuderen - twee verhalen waren met bijna zeventig procent ingekort; een groot gedeelte met bijna de helft; veel beschrijvingen en uitweidingen waren gesneuveld, hele eindes waren geschrapt of herschreven - en hij was volledig van slag, op het wanhopige af. Carver, een kwetsbare persoonlijkheid die net van de drank af was, schreef dat hij ‘in de war’ was, 'uitgeput, paranoïde en bang’. Hij was bang om ten overstaan van zijn vrienden, die veel van zijn verhalen in eerdere versies hadden gelezen, te worden ontmaskerd. Hij schreef dat hij bang was dat als het boek zou verschijnen hij nooit meer een letter op papier zou zetten, en dat als hij zou tegenwerken hij de vriendschap en genegenheid van Lish zou verliezen. En hij was vooral bang om terug te vallen in 'die donkere dagen’ van kort daarvoor, toen hij helemaal aan de grond zat. 'Laat ik maar eerlijk zijn, mijn geestelijke gezondheid staat op het spel’, schreef hij aan Lish.
Het mocht een wonder heten, gezien de treurige feiten rond zijn afkomst, dat Raymond Carver überhaupt nog leefde en had gepubliceerd. Hij werd in 1938 geboren in Clatskanie, een plaatsje in Oregon waar hout werd verwerkt, en groeide op in Yakima in Washington. Zijn moeder werkte als verkoopster en serveerster, en zijn vader, die tijdens de Dust Bowl illegaal op de trein was gesprongen op zoek naar een beter bestaan, werkte in een houtzagerij. Hij was een verhalenverteller, een zwartkijker en een zuipschuit die op 53-jarige leeftijd overleed. Carver was op zijn twintigste al vader van twee kinderen, en voor hem en zijn eerste vrouw Maryann Burk begon een leven dat bestond uit rotbaantjes en het ontlopen van geldeisers. In de loop der jaren werkte Carver als schoonmaker in een ziekenhuis, als pompbediende, tulpenplukker en maakte hij toiletten schoon. Hij wilde niets liever dan gedichten en verhalen schrijven over de plekken die hij had bezocht en de mensen die hij had leren kennen. Hij had zelfs een paar verhalen in obscure tijdschriftjes gepubliceerd, toen hij studeerde aan het Humboldt State College en de Chico State University (bij John Gardner) en toen hij, tot zijn geld op was, het schrijfprogramma volgde aan de Universiteit van Iowa. Maar hij kwam slechts bij vlagen aan schrijven toe: 'Ik had nauwelijks tijd om me om te draaien of om adem te halen.’ Al snel vormde alcohol een nog grotere belemmering voor het schrijven dan het betalen van de rekeningen. Er volgden faillietverklaringen, geheugenverlies en inzinkingen, zowel fysiek als mentaal. 'Alles wat op mijn pad kwam, hielp ik naar de verdoemenis’, beweerde hij eens. 'Laten we zeggen dat er van tijd tot tijd politie, justitie en eerstehulpposten aan te pas kwamen.’
Toen Carver in 1967 bij de educatieve uitgeverij Science Research Associates in Palo Alto werkte, ontmoette hij Lish, die ook bij een educatieve uitgeverij werkte. Lish, een welbespraakte, excentrieke literatuurkenner, begon Carver thuis voor de lunch uit te nodigen om over boeken te praten. Lish was onder de indruk van Carver, vooral door zijn buitenissige personages, 'hillbillies of the shopping mall’, zoals Lish ze later omschreef. Nadat Carver bij SRA was ontslagen, leefde hij van een uitkering waardoor hij zich meer op het schrijven van verhalen kon toeleggen. 'In die tijd gebeurde er iets bij het schrijven’, zei hij, 'het ging ondergronds en kwam in een ander licht weer boven.’ Lish moedigde Carver enorm aan en ontpopte zich als reddende engel toen hij in 1969 naar New York verhuisde om als redacteur fictie voor Esquire te werken.
Lish nam in 1971 Carvers verhaal Neighbours in het tijdschrift op en bleef gedurende de jaren zeventig zijn werk publiceren - verhalen over het huwelijk, de strijd om het bestaan en de Amerikaanse onderklasse - of hielp hem aan andere publicaties. Hij beende de verhalen ook stelselmatig tot op het linguïstische bot uit en ontwikkelde zo een unieke, sobere, laconieke, bijna bedreigende esthetiek die uiteindelijk tot 'minimalisme’ of 'Kmart-realisme’ werd bestempeld.
Het leek erop dat Carver de hulp van Lish alleen maar toejuichte en omarmde, in ieder geval tot aan de zomer van 1980. In de Lilly Library van de Indiana University zijn tientallen brieven te vinden die getuigen van Carvers dankbaarheid voor de vriendschap, de hulp en het redigeerwerk van Lish. Nadat Carver het nieuws te horen had gekregen dat McGraw-Hill op aandringen van Lish Will You Please Be Quiet, Please? zou uitgeven, schreef Carver opgetogen aan Lish dat hij 'het wel van de daken wilde schreeuwen’ en hij bij het bewerken van de verhalen op het oordeel van Lish af zou gaan: 'Zeg me welke aangepakt moet, of moeten, worden en ik doe het… of ik laat het aan jou over en dan zeg jij wat er moet gebeuren.’
Het jaar 1977 was voor Carver een nieuw, wonderbaarlijk begin. Zijn bundel werd genomineerd voor de National Book Award. Nog veel verbazingwekkender was dat Carver op 2 juni, na een aantal ziekenhuisopnames, de drank vaarwel zei en tot het eind van zijn leven geen druppel alcohol meer dronk. 'Ik denk dat ik gewoon wilde blijven leven’, zei hij er later over. Rond dezelfde tijd vertrok Lish bij Esquire en kreeg niet veel later een baan bij Knopf aangeboden. Lish had bij Esquire naam gemaakt door schrijvers als Carver, Don DeLillo, Barry Hannah en Richard Ford te publiceren, en Carver reageerde met een eerbetoon op het vertrek van Lish. 'De wetenschap alleen al dat jij daar achter je bureau zat, zette mij tot schrijven aan’, schreef hij aan Lish. 'Voor mij ben jij de ideale lezer, mijn vriend; dat ben je altijd al geweest, en dat zul je altijd en eeuwig blijven.’
Lish haalde Carver bij Knopf binnen met een vijfduizenddollarcontract voor zijn volgende verhalenbundel. Carver en Maryann Burk waren inmiddels uit elkaar en hij woonde nu, nuchter en tevreden, samen met de dichteres Tess Galagher. Lectoraten en beurzen kwamen hem aangewaaid. Zijn 'tweede leven’, zoals hij het zelf noemde, was begonnen.
Redigeren kent vele vormen. Het behelst het ontdekken van talent in een obscuur literair tijdschrift of tussen een enorme stapel ingezonden manuscripten. Het kan in zware tijden een kwestie van financiële of emotionele steun zijn. Een redacteur die eenmaal een manuscript voor zich heeft probeert gewoonlijk de visie van de schrijver te dienen, en beveelt wijzigingen aan - weglatingen, toevoegingen, herschikkingen - waar het werk het meest baat bij heeft. Normaal gesproken is redactiewerk vrij subtiel, maar er zijn beroemde gevallen van hulp tot op grote hoogten: Ezra Pound die T.S. Eliots The Waste Land halveerde toen het nog He Do the Police in Different Voices heette, Maxwell Perkins die Thomas Wolfe’s Look Homeward, Angel structureerde en het met 65.000 woorden inkortte.
In de jaren na het verschijnen van Will You Please Be Quiet, Please?, schreef Carver een reeks verhalen rond alcoholisme en mislukte huwelijken. Ze verschenen uiteindelijk onder de door Lish aangedragen titel What We Talk About When We Talk About Love. Volgens de hoogleraren William L. Schutt en Maureen P. Carrol, die met de medewerking van Tess Gallagher Carvers werk bestudeerden, stuurde Lish Carver in de lente van 1980 een geredigeerd manuscript toe met zestien van de zeventien verhalen die uiteindelijk in het boek verschenen. Lish had het originele manuscript ontdaan van wat hij als vals sentiment en lyriek beschouwde en het met veertig procent ingekort. Terwijl Carver en Gallagher een schrijversbijeenkomst bijwoonden, redigeerde Lish het manuscript vervolgens nóg een keer, liet het opnieuw uittypen, en stuurde de papieren terug naar Syracuse, waar Carver op dat moment woonde en doceerde. Carver las het manuscript bij thuiskomst en schreef daarna zijn wanhoopsbrief aan Lish.
In 1998, tien jaar na Carvers dood, dook journalist D.T. Max de archieven van de Lilly Library in om de correspondentie tussen Carver en Lish in te zien. Het resultaat was een artikel in Times Magazine dat de vreemde, wisselende relatie tussen schrijver en redacteur aan het licht bracht. Maar het blijft gissen waarom Carver twee dagen na zijn smeekbede om publicatie tegen te gaan nog een brief aan Lish schreef in een heel andere toonzetting, waarin hij doodgemoedereerd ietwat triviale redigeerkwesties aanstipt en ondertekent met 'with my love’. Blijkbaar had Lish Carver gebeld en was erin geslaagd een langdurige crisis te voorkomen.
What We Talk About werd bij het verschijnen in april 1981 overladen met lovende kritieken, met als klap op de vuurpijl een hoofdartikel in de Times Book Review, een unicum voor een verhalenbundel. Recensent Michael Wood schreef dat Carver 'voor elkaar had gekregen wat de meest getalenteerde schrijvers niet lukt: hij heeft een uniek, eigen universum gecreëerd dat de totale wereld in zich draagt, in Wordsworths woorden, en dat is de wereld van ons allemaal.’ Wood schreef ook: 'In Carvers stiltes wordt veel van wat onzegbaar is gezegd.’ Een groot aantal van die stiltes was het resultaat van het redigeerwerk van Lish.
Natuurlijk liet Carver zich deze ontvangst na jaren van mislukkingen, ziekte, werk en onbekendheid, welgevallen. De openbare loftuitingen zorgden er ook voor dat hij zijn gemengde gevoelens over hoe Lish een aantal verhalen had geredigeerd, voor zich hield. In Tess Gallaghers ogen waren de ingrepen van Lish een inbreuk op Carvers artistieke integriteit. 'Wat zou jij doen als je boek een succes was, maar je niet publiekelijk te kennen wilde geven dat het je door de strot was geduwd?’ zei Gallagher hierover. 'Hij moest wel doorgaan. Hij kon zich simpelweg niet van het boek distantiëren. Dan had hij alles met Gordon naar buiten moeten brengen en dat was hij niet van plan. Ray was geen vechter. Hij ging conflicten uit de weg, want conflicten zetten hem tot drinken aan.’
In de jaren daarop leek Carver vastbesloten om Lish als vriend, 'broeder’ en zelfs als redacteur te behouden, maar hij stelde nu striktere redactionele grenzen op. Er vond een machtsverschuiving plaats. Carver eiste zijn autonomie op. 'Gordon, ik zweer het je, laat ik het je maar meteen zeggen’, schreef hij in augustus 1982 met betrekking tot zijn nieuwste verhalen, 'ik kan niet het soort chirurgische amputatie en transplantatie doorstaan waardoor ze allemaal netjes in een doos passen en het deksel dicht kan.’
Carvers volgende verhalenbundel Cathedral, die in 1983 uitkwam, werd een nog groter succes en kreeg wederom lof toegezwaaid op het omslag van de Times Book Review, door Irwin Hope deze keer, die schreef dat Carvers latere, meer uitgesponnen werk 'een getalenteerde schrijver liet zien, naarstig op zoek naar een breder referentiekader en een fijnere nuance’. In een interview met The Paris Review dat jaar maakte Carver duidelijk dat de nieuwe, uitgesponnen stijl hem liever was: 'Ik wist dat ik zo ver de andere kant op was gegaan als ik maar kon of wilde, door alles niet alleen tot op het bot, maar tot op het merg uit te benen. Ik zweer je, als ik het nog verder zou doorvoeren zou dat nergens toe leiden, ik zou dingen gaan schrijven en publiceren die ik zelf niet eens zou willen lezen. In een recensie van mijn laatste boek werd ik een “minimalistische” schrijver genoemd. Dat was als compliment bedoeld. Maar ik vond het maar niks.’
Tess Gallagher hoopte op een heruitgave van alle verhalen uit Carvers tweede bundel in de, naar haar idee, 'echte, originele vorm’. Van de hier afgedrukte verhaalversie Beginners schrapte Lish één derde en gaf het de nieuwe titel What We Talk About When We Talk About Love. Gallagher was erop gebrand dat mensen Beginners te lezen kregen. Toch hebben de ingrepen van Lish ertoe bijgedragen dat een wat conventioneler verhaal werd omgevormd tot een toonbeeld van scherpe, originele esthetiek; de esthetiek waarmee Carver zijn eerste aanhang had verworven. 'Ik zie wat je hebt gedaan, wat je eruit hebt gehaald’, schreef Carver over Beginners in zijn lange, gekwelde brief aan Lish, 'en ik bewonder je inzichten, ze zijn verbijsterend, schokkend zelfs.’ Het kan zijn dat Carver tot op zekere hoogte de vorm betreurde waarin een aantal verhalen in What We Talk About verscheen, en in de verzamelbundel Where I’m Calling From, die een paar maanden voor zijn dood uitkwam, liet hij drie verhalen in hun 'originele’ vorm opnemen. Maar het merendeel van de verhalen, inclusief Beginners, liet hij opnieuw uitgeven zoals ze door Lish waren geredigeerd.
'De relatie tussen schrijver en redacteur is privé, en niemand krijgt het hele plaatje te zien’, zei Gary Fisketjon, de redacteur die Carver hielp bij het selecteren voor Where I’m Calling From. 'Het is in dit geval duidelijk faliekant misgelopen, en dat is interessant, maar het blijft tasten in het duister.’ Wel is bekend dat de relatie tussen Carver en Lish halverwege de jaren negentig werd beëindigd. Lish zei hierover tegen D.T. Max: 'Ik praat niet graag over de Carver-periode omdat ik me nog steeds bedrogen voel en het van slechte smaak getuigt om het daar over te hebben.’ Gallagher vond dat Lish zich Carvers succes te veel toe-eigende.
In 1987 schreef Carver Errand, een verhaal over de dood van Tsjechov, zijn literaire idool. Het werd in The New Yorker gepubliceerd. Nog datzelfde jaar begon Carver, net als Tsjechov, bloed op te geven. Carver was altijd al - in zijn eigen woorden - 'een sigaret met een lichaam eraan’, en er werd longkanker bij hem geconstateerd. Hij en Gallagher kochten een huis op het schiereiland Olympia, met uitzicht over de Straat van Juan de Fuca, en traden op 17 juni 1988 in het huwelijk. Ondanks zijn ziekte probeerde Carver op sommige ochtenden te schrijven. 'Maar ik word er zo ontzettend moe van’, zei hij. Hij stierf op 2 augustus. Hij was vijftig jaar oud, en Errand was zijn laatste verhaal.

Dit artikel verscheen in 2007 in The New Yorker, dat ook het titelverhaal in geredigeerde vorm afdrukte. Vertaling Astrid Staartjes.Beginners, onlangs verschenen bij De Bezige Bij, bevat de geredigeerde én de oorspronkelijke versie van de verhalen in Carvers bundel Waarover wij praten als wij over de liefde praten. Vertaling Sjaak Commandeur, 256 blz., € 24,95