Casanova ontketend

Op 26 juli 1755 wordt Giacomo Casanova in Venetië gearresteerd en overgebracht naar de beruchte Piombi-gevangenis. Op 12 september wordt hij tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens atheïsme. In de nacht van 31 oktober op 1 november ontsnapt hij echter, en ontvlucht per gondel, per postkoets en te voet de rechtsmacht van Venetië. Met die vlucht begint Casanova’s legende.

………………………………………………………………………………………..

In de gevangenis

De cipier beval mij naar binnen te gaan. Ik stond net aandachtig een ijzeren apparaat te bekijken dat aan de zware deur was geschroefd. Het had de vorm van een hoefijzer. De dikte ervan bedroeg één duim, de afstand tussen de evenwijdige uiteinden vijf. Ik vroeg me af wat het was, toen hij glimlachend zei: ‘Ik zie dat u graag wilt weten waar dit apparaat voor dient, mijnheer, en dat kan ik u vertellen. Wanneer Hunne Excellenties het bevel geven iemand te wurgen, laat men hem plaats nemen op een taboeret, met de rug naar deze halsband. Men plaatst zijn hoofd zo dat de band zijn hals voor de helft omsluit. Een dikke zijden streng die de andere helft omsluit, gaat met de beide einden door dit gat dat leidt naar een draaispil, waaraan ze worden vastgemaakt. Een man draait daar dan aan tot de patiënt Onze Heer de geest heeft teruggegeven.’ (…)

‘Erg vernuftig. Ik neem aan dat u degene bent wie de eer te beurt valt aan de spil te draaien.’

Hij gaf mij geen antwoord.

Omdat ik vijf voet negen duim (1,87 meter – red.) lang ben, moest ik mij diep buigen toen ik naar binnen ging.

………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………….

In Amsterdam

Twee jaar na zijn ontsnapping bevindt Casanova zich in Amsterdam. Hij leert er de heer ‘D.O.’ kennen, een veertigjarige weduwnaar met een veertienjarige dochter, Esther. Zij worden al snel vrienden.

‘Kom mee, kom mee’, zei Esther vrolijk, ‘Laten we schaatsen aandoen, en snel naar de Amstel gaan om ons daar te vermaken, want ik ben bang dat het gaat dooien.’

Ik wilde haar niet vragen mij te verontschuldigen. (…) Wij lieten ons op de Amstel zakken. Aangezien deze bezigheid volkomen nieuw voor mij was, kan de lezer zich voorstellen dat ik na minstens twintig keer abrupt op het harde ijs te zijn gevallen, dacht dat ik zou eindigen met een gebroken ruggengraat: maar nee, ik schaamde mij ervoor spelbreker te zijn, en ik stopte pas toen men ons riep voor de middagmaaltijd. Toen wij van tafel opstonden, had ik het gevoel dat al mijn ledematen verlamd waren. (…) Iedereen moest erg lachen. (…) Ik begreep dat zij dit uitstapje alleen hadden georganiseerd om zich over mij vrolijk te maken, en ik zag daar niets verkeerds in. Ik wilde bewerkstelligen dat Esther van mij ging houden, en ik was er zeker van dat ik door zoveel gedweeheid en inschikkelijkheid van mijn zijde mijn doel zou bereiken. Ik bracht de namiddag door met mijnheer D.O. en liet de jongelui teruggaan naar de Amstel waar zij zich tot de schemering uitstekend vermaakten.

………………………………………………………………………………………..
………………………………………………………………………………………..

Esther

Ik vergat haar wensen niet. Ik liet mij naar een boekhandelaar rijden, waar ik alle boeken kocht die haar naar mijn mening zouden kunnen vermaken. Ik stuurde ze naar haar toe en verzocht haar mij de boeken terug te zenden die ze had gelezen. Zij deed dit prompt, bedankte mij uitvoerig en vroeg mij haar voor mijn vertrek uit Amsterdam te komen omhelzen als ik tenminste een leuk geschenk wilde ontvangen.

Ik ging in alle vroegte naar haar toe, en liet mijn postsjees voor haar deur wachten. Haar gouvernante bracht mij naar haar bed, waar ik haar in een vrolijke stemming aantrof. Haar huid had de kleur van lelies en rozen. ‘Ik ben er zeker van dat u niet zou zijn gekomen’, zei zij, ‘als ik het woord omhelzen niet had gebruikt.’

Terwijl zij dit zei, leverde zij alle bekoorlijkheden van haar gezicht uit aan mijn begerige lippen. Toen ik een glimp van de roze knoppen van haar jonge borsten opving en ik mij daar meester van wilde maken, hield zij meteen op met lachen en begon zich te verweren.

Toen ik wegging, stond zij mij zo’n heerlijke kus toe, dat ik er zeker van was dat zij mij bij mijn terugkomst alles zou geven. Ik vertrok hevig verliefd, en ik kwam tegen soupertijd aan bij het huis van Boas.

………………………………………………………………………………………..