Cascoritueel

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: cascoritueel. Bijvoorbeeld: beleef de Matthäus Passion op de manier die u goeddunkt.

Tijdens de fluwelen relirevolutie van de jaren zestig en zeventig stonden rituelen in een slecht blaadje. Rituelen betekenden groepsdwang en slaafse herhaling. Vooral in de katholieke kerk, vanouds rijk aan rituelen, vond een ware ritenstorm plaats.

Wat aan rituelen overbleef, diende vooral het beleven van lotsverbondenheid, verantwoordelijkheid en troost. Maar er was ook iets wat niet veranderde: een levensvatbaar ritueel vereist een ‘wijgevoel’. Het moet beantwoorden aan zekere eisen van gezamenlijkheid, herhaalbaarheid en continuïteit. Filosoof Ger Groot spreekt heel mooi van ‘gestage ritualiteit’.

In een weinig dynamische samenleving, waar mensen deel uitmaken van stabiele verbanden, groeit die gestaagheid vanzelf. De Britse historicus A.N. Wilson omschreef de roomse liturgie van vóór het Concilie als ‘beproefde en vertrouwde woorden, afgesleten en glad als oude, veelbetreden stenen’.

Maar wat voor rituelen zijn er denkbaar wanneer het credo luidt dat je ‘zelf het beste weet wat goed voor je is’? Geen enkel liturgisch ritueel kan ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ zijn, schreef de Tilburgse sacramentoloog Gerard Lukken in 1984. Het ‘ietsisme’ en andere vormen van hoogstpersoonlijke geloofsbeleving geven hem gelijk: ze blinken niet uit in rituelenrijkdom.

Of… toch wel? Over een paar weken zit heel Nederland weer in de kerk om een traantje weg te pinken bij de Matthäus Passion. Er zijn Matthäussen in alle soorten en maten: bombastische spektakels met een regen van paukenslagen, barokke uitvoeringen in minimale bezetting, een Meezing-Matthäus, een Nederlandstalige Matthäus, een tango-Matthäus.

De Matthäus hoort bij de ‘Goede Week’, waarin christenen het lijden, de kruisiging en de wederopstanding van Jezus gedenken. Alles draait daarbij om de verhouding tussen Jezus’ lijdensweg en de zonden van de mensen. Schuld is het hoofdthema.

Intussen bestaat het merendeel van de Matthäus-_gangers uit mensen die de rest van het jaar nooit in de kerk komen en voor wie die hele erfzonde neerkomt op abacadabra. Toch is het ook voor hen geen vrijblijvende ervaring. Wie de _Matthäus beluistert, wordt onvermijdelijk geconfronteerd met de vraag: wat zou ík gedaan hebben als ik erbij had gestaan?

De Matthäus appelleert aan onze christelijke roots zonder dat daar dogma’s en plichten aan te pas komen. De ‘hoofduitvoering’ op Goede Vrijdag in de Grote Kerk van Naarden, in aanwezigheid van tal van hoogwaardigheidsbekleders, is een hoogtepunt van publieke religie in ons geseculariseerde land. Tegelijk kan ieder, met of zonder expliciete religieuze overtuiging, het gebeuren op zijn eigen manier ondergaan.

Intussen speelt de echte ‘lijdenstijd’ van onze publieke religie zich een maand later af, in de weken voor 4 mei. Tijdens de aanloop naar de dodenherdenking staan we stil bij hetzelfde thema van lijden en schuld, maar nu in ons eigen recente verleden: de zonde van de onverschilligheid toen de Nederlandse joden werden weggevoerd en vermoord.

Ook dit is een nationaal ritueel met een ‘hoofduitvoering’ in een kerk: de bijeenkomst in de Amsterdamse Nieuwe Kerk waarbij ook de koning aanwezig is. En ook hier komen mensen bijeen uit alle levensbeschouwelijke hoeken. Ieder zijn eigen oorlog. Kunnen mensen bij mij onderduiken? Zou ik de moed hebben, als de haan driemaal kraait? Naast mij staat misschien iemand die zich dezelfde vragen stelt vanuit een diepreligieuze motivatie.

Professor Lukken kon het in 1984 onmogelijk voorzien, maar het individuele en het collectieve kunnen dus toch in rituele vormen samengaan. Overal in de samenleving winnen cascoproducten aan populariteit, met mogelijkheden voor afbouw naar eigen voorkeur. Ook bij een ‘cascoritueel’ krijgt ieder dezelfde pizzabodem voorgeschoteld maar kiest zelf de ingrediënten.

Het meest uitgebalanceerde cascoritueel dat ik ken is de pelgrimage naar Santiago de Compostela. Hedendaagse pelgrims zijn een zooitje ongeregeld, ze gaan stuk voor stuk hun eigen baan. Maar ook ervaren ze iets van verbondenheid met de miljoenen die hun over dezelfde paden voorgingen en voelen zich daardoor gesterkt en gesticht. Net als bezoekers van de Matthäus Passion of de dodenherdenking hoeven ze daarvoor niet tot een of andere club toe te treden.

Die losheid brengt ook nog een ander aspect met zich mee. Een gemeenschapservaring veronderstelt al gauw een out-group, en dat kan gevaarlijk zijn, zeker als het om geïnstitutionaliseerde religie gaat. Voor je het weet is er sprake van ketters, banvloeken en inquisitie. Bij een cascoritueel is het omgekeerd: het is open en uitnodigend, ieder kan eraan meedoen op de manier die hem goeddunkt. Dat diffuse lidmaatschap laat zich moeilijk combineren met het ontstaan van een vijandbeeld.

In onze tijd en onze contreien heeft het christelijk geloof voor het merendeel van degenen die zich met dat geloof verwant voelen dit stadium bereikt. Laat ons daarover hosanna roepen. En laat ons bidden dat ook andere religies, zoals de islam, zich in cascorichting ontwikkelen. Dat de jaarlijkse massale hadj naar Mekka met zijn rigide discipline en zijn doodgedrukte bedevaartgangers meer gaat lijken op de doorlopende ervaring van de Camino, waarbij pelgrims zich op eigen kracht rekenschap geven van hun levenswandel.