Catastrofaal universum

Medium johnson denis  c  cindy lee johnson aeg bb en pers
Denis Johnson © Johnson Denis © Cindy Lee Johnson AEG BB en pers

In de laatste jaren voor zijn dood keerde de romanschrijver Denis Johnson (1949-2017) terug naar het verhaal. Begin jaren negentig had hij Jesus’ Son gepubliceerd, een bundel die langs de rafelranden van de Amerikaanse samenleving scheerde. Niet toevallig maakte Johnson in het begin van zijn moeizame schrijfcarrière reportages ‘from the edges of America & Beyond’, zoals de ondertitel van zijn enige nonfictieboek Seek luidt. In zijn literaire testament De gulheid van de zeemeermin, dat na zijn dood in mei vorig jaar verscheen, keerde Johnson in één verhaal terug naar de voor hem desastreuze jaren zestig en zeventig, toen hij bijna verdronk in zijn drankzucht en jarenlang verdween in zijn drugsverslaving. Afkickcentra en psychiatrische begeleiding zetten hem weer op een min of meer vast spoor, dat van de poëzie en de literatuur. Daaraan hebben we onder andere de beste Vietnam-roman te danken, Tree of Smoke (2007) en een schitterende novelle, Train Dreams (2011) over de woestheid van de twintigste eeuw en de ruigheid van het landschap van de afgelegen noordwestelijke staat Idaho, Johnsons residentie.

Dat ene verhaal heet Het Starlight op Idaho. Starlight heet de kliniek en Idaho staat voor Idaho Avenue in Ukiah, ‘de Oksel van Noord-Californië’. De 33-jarige Mark Cassandra probeert na een heftig leven vol afbraak af te kicken van die hel. Hij worstelt met bijwerkingen van gedwongen medicijngebruik: hallucinaties, demonenbezoek, depressies. Enig houvast biedt het schrijven van brieven aan zijn familie, aan God en de Duivel, aan de paus en wie niet al. Een Cassandra op zoek naar zingeving. ‘Hé God waar ben je je bent nergens, We zoeken naar een zwak teken van je macht.’ Hij beseft in een universum te leven dat weinig mededogen toont en daarom, in een ander verhaal, ‘catastrofaal’ heet. De jaren zestig waren wel heel rampzalig, ook voor Johnson, want toen al zakte hij langzaam maar zeker weg in drank en drugs. In het gevangenisverhaal Bob de Wurger weet Johnson die tijd ontnuchterend te definiëren, via een piepjonge gedetineerde: ‘Ik was niet gelovig. Iedereen ouwehoerde en wauwelde over kosmische spiritualiteit en hindoeïstische en yogachakra’s en zen-koans. Ondertussen verbrandden Aziatische baby’s in napalm.’

Denis Johnson was een schrijver die willens en wetens op weg was naar de dood toen hij de vijf verhalen schreef die De gulheid van de zeemeermin vormen. Zijn leverkanker was terminaal. Hij had een deadline, de laatste. Wat betekende het schrijven voor hem op dat moment? Het verhaal Triomf over het graf geeft wellicht enig uitsluitsel. De ik-verteller daarin is een docent ‘creative writing’ in Austin, Texas die een geïsoleerd levende, oudere schrijver buiten de stad bezoekt die dingen en mensen ziet die er niet zijn. Het schrijven, meent de ik-verteller, is makkelijk want je kunt het overal doen met simpele dingen als potlood en papier. Zelfs met drank, met een financieel wankel bestaan en met een afwijkend levensritme zou de productie niet stagneren. ‘Wat je ook overkomt, je zet het op een bladzij, werkt het uit tot een vorm, laat er een licht over schijnen. Het is eigenlijk weinig anders dan het filteren van een wolkenoptocht door de lucht en dat een speelfilm noemen…’

‘Hé God waar ben je je bent nergens, We zoeken naar een zwak teken van je macht’

De oudere schrijver blijkt ten dode opgeschreven te zijn zoals onderzoek in het ziekenhuis in Austin vaststelt: longkanker in het laatste stadium én hersentumoren. Maar wat doet Denis Johnson in dit verhaal? Zichzelf verdelen in twee schrijverspersonages? De ik-verteller zegt dat hij zich bewust is dat hij namen verandert in ‘dit soort semiautobiografische verhalen’ of ‘pseudofictionele memoires’. Zijn Johnsons verhalen dan doorzichtige maskerades, zoals hij in het titelverhaal – via zijn ik-verteller, een reclameman – suggereert? Die heeft het over zijn gebruikelijke vermomming en de eeuwig doorgaande maskerade.

Doet het ertoe? Iedere schrijver wéét dat zijn leespubliek al te vaak de personages verwart met de schepper ervan en in het verlengde daarvan de domste vragen stelt. Het masker dat fictie heet is er niet voor niets: niet als laffe, leugenachtige bescherming van de auteur maar als noodzakelijke literaire vormgeving. De werkelijkheid is vormeloos, de woordkunst niet. Goed, de dood ligt in elk verhaal van De gulheid van de zeemeermin op de loer. Dat raadselachtige fenomeen waaraan niemand ontkomt vormt de wurgdraad van alle vertellingen. Links en rechts kondigt hij zich aan. En toch doemt er nog iets anders op bóven die meervoudige aankondiging van de dood. Als God de grootste schilder is – zoals een van de personages beweert –, wat kan menselijke beeld- of woordkunst dan nog bewerkstelligen? De prijs winnende reclameman in het titelverhaal richt zich tot de lezer als hij zich afvraagt of die (jij) ook ‘als een eekhoorn bepaalde momenten verzamelt en in je ziel opbergt wanneer het Mysterie naar je knipoogt…’ Is de dood een vloek die op iedereen rust? Een schilderspersonage in het titelverhaal gelooft hartstochtelijk in vloeken en doem, ‘in engelen en meerminnen, omina, tovenarij, door de wind gedragen stemmen, in boodschappen en patronen’. Wat betekent dit, geloof of gekte? Nee, zo’n vraag is te rationeel. Laat ik het houden op het Mysterie, met een hoofdletter.

Het slotverhaal van De gulheid van de zeemeermin, Doppelgänger, Poltergeist, gaat over een dichter die zich verliest in een samenzweringstheorie rond leven en dood van Elvis Presley, inclusief tweelingenhersenspinsels en de Twin Towers-ramp van 2001. Zijn paranoïde gedachten daarover wil de dichter alleen kwijt aan zijn schrijfdocent, de ik-verteller. Die herkent de obsessie van de dichter maar weet tegelijkertijd dat hij zichzelf moet beschermen ’tegen de afgrond die mijn innerlijke wereld vormt’. Waar gelooft de obsessieve dichter in? Het leven na de dood, geesten, het paradijs, de eeuwigheid? Het antwoord staat in de allerlaatste zinnen van het allerlaatste verhaal dat Denis Johnson heeft geschreven. Lees hem. Hij is er niet meer maar zijn boeken blijven.