Catastrofe

Zelden is het geheugen van schrijvers zo feilloos als wanneer het op slechte kritieken van hun werk aankomt. Ik ken auteurs (en voor vertalers geldt hetzelfde) die zich jaren later nog passages wisten te herinneren uit besprekingen waarvan ikzelf vergeten was dat ik ze ooit geschreven had.

Dat laatste is misschien geen indrukwekkende maatstaf: ook voor de beroepslezer en broodschrijver wordt het vergeetboek steeds dikker. Maar omdat hetzelfde voor de auteur en vertaler geldt, blijft diens olifantsgeheugen verbazingwekkend. Daar moet wel een bijzondere overgevoeligheid aan ten grondslag liggen. Het scheppend literair vernuft is kennelijk heel snel, en dan meteen ook heel duurzaam, op zijn teentjes getrapt.

Ook daarover kan ik, als ik eerlijk ben, goed meepraten. Ten aanzien van de paar boeken die ik tot nu toe gepubliceerd heb betrapte ik mezelf op een niet minder dunne huid. Niet dat ik veel te klagen had. De meeste recensenten vonden het allemaal best wat ik deed. Maar de ene die het koor verbrak bleef al die vreugde hinderlijk verstoren. En ook ik kan nog steeds de meest snijdende passages ervan dromen.

Niet dat die kritiek terecht was. Wás ze dat maar geweest, dan had ik me kunnen verzoenen met mijn eigen schuld. En onzinnig was ze ook niet. Dan had ik het stukje schokschouderend kunnen wegleggen, mompelend dat tegenwoordig jan en alleman maar raak mag recenseren.

Nee, de kritiek zat er nét naast. Dicht genoeg op de huid om te getuigen van schranderheid en inzicht, maar hinderlijk onwillig om die ook in dienst te stellen van de – onloochenbare, dacht ik – opzet en strekking van mijn boek. De meest stekende recensie beantwoordt dus aan alle deugden die de schrijver zichzelf én zijn eigen werk toeschrijft, behalve de wil om met het evidente in te stemmen.

Daarom is die kritiek voor de schrijver altijd een beetje onbegrijpelijk. Het oordeel van de intelligente, gewaardeerde criticus die hij in veel opzichten als zijn geestverwant en misschien wel zijn gelijke ziet doet er toe – en doet tegelijk niet wat het moet doen. En dus wankelt de wereld even op haar grondvesten.

Want voor een schrijver is iedere negatieve kritiek een aantasting van de logische orde. Wat hij schrijft is zoals het geschrevene zou moeten zijn en wat hij zegt is zoals het is. Daarvan is hij ten diepste overtuigd; alleen vanuit die ontegenzeggelijkheid kán hij schrijven. Was het anders, of moest het anders, dan deed hij het niet – of anders. Die evidentie spoort naadloos met de vanzelfsprekendheid van een welwillende ontvangst, die immers van haar kant niets anders dan een bevestiging van de wereldorde vormt.

En daarom wegen tien positieve recensies niet op tegen één negatieve. Die eerste zijn van een bijna alledaagse vanzelfsprekendheid. Natuurlijk steekt een competente criticus de loftrompet over een boek waarvan de schrijver als geen ander alle deugden kent. Bevestigd wordt daarmee slechts wat al vaststond – en dergelijke constateringen zijn zelden spectaculair of memorabel. Een goede recensie zal een schrijver enkele jaren later zelden nog weten te citeren, zoals hij ook niet meer weet wat hij op de dag vóór de elfde september 2001 gedaan heeft.

Men moet een auteur die zijn boek van gezaghebbende zijde neergesabeld zag dan ook geen narcisme of lichtgeraaktheid verwijten. Was hij werkelijk zo ijdel, dan zou hij de jubelknipsels wel brandkastvast in zijn geheugen hebben opgeslagen. Maar dat is zelden het geval – en dán nog meestal ter compensatie van een tegenstem die in zijn gedachten nooit opgehouden is zijn kwetsend oordeel uit te schreeuwen.

Zo kan de negatieve recensie uitgroeien tot een catastrofe met metafysische dimensies. Plots gedraagt de intelligibele wereld zich voor de schrijver niet meer naar behoren – alsof de natuurwet zelf geschonden was. Vergeefs tracht hij nog vat te krijgen op wat wel onzin lijken moet, ook al gaat er – naar Shakespeares dictum – klaarblijkelijk ook heel wat methode en vernuft in schuil.

Helemaal goed komen zal het nooit meer: tussen de schrijver en de recensent, de schrijver en de literaire wereld, en zelfs tussen de schrijver en het universum. Zijn vertrouwen in de luciditeit ervan – waarin zijn begrip en dat van wat hem omringt nog moeiteloos op elkaar afgestemd leken te zijn – is voorgoed geschokt. Hij zal misschien nog vaak worden gelauwerd, maar iets blijft er knagen en de vaste grond kan elk moment opnieuw ineenstorten. Hij neemt zijn prijs, zijn jubelrecensies, zijn laudatio’s glimlachend in ontvangst – en zal op de receptie achteraf nog moeiteloos kunnen citeren hoe met zijn prachtwerk ooit de vloer is aangeveegd.