Operette

Catastrofe

Operette La Vie Parisienne

Het waren grote woorden, die door alle media van het land schalden: Hij, Eddy Habbema, zou met het Nederlands Operette Theater het doodgewaande genre operette tot leven wekken, en als eerste een nieuwe professionele start maken sinds de Hoofdstadoperette wegens geschrapte subsidie het leven liet. Een heerlijke nieuwe wereld moest het worden, groter, beter en met meer glamour, attractief voor een jonger publiek, inclusief een opleidingsprogramma voor nieuwe operettezangers naar het voorbeeld van Van den Endes Musical-academie. Daarvoor wilde Habbema veel geld uit Den Haag en dat kreeg hij, want de subsidiënten hadden vertrouwen in die elegante man met die intellectuele brille. Zo kon men zich verheugen op de premièrevoorstelling, Offenbachs bitter-vileine societykomedie La Vie Parisienne uit 1866. Die productie reist nu, begeleid door een geweldig pr-offensief, langs bijna zestig steden in Nederland. Dat hij de voorstelling aan zoveel theaters heeft verkocht is Habbema’s enige noemenswaardige prestatie.

De opvoering zelf, door hem geregisseerd, is een blamage. Erger is nauwelijks denkbaar. Een artistiek faillissement, dat vooral bewijst dat alles wat Habbema beloofde grotendeels gelogen was, en niet is ingelost. Om te beginnen is het not niet het eerste gezelschap dat na de Hoofdstadoperette in Nederland operette brengt: in 2005 ging bij De Nieuwe Nederlandse Operette Der Vetter aus Dingsda in première. Die productie had een voortreffelijke (jonge) bezetting, werd door David Prins geniaal geregisseerd en door de nationale en internationale pers met applaus begroet. Prins toonde precies het juiste gevoel voor de absurditeit van het genre: niet een Walzertraum met prinsen en gravinnen, maar een foxtrottende jaren-twintig-show met seks, humor en satire.

Van zulke referenties is Habbema’s Vie mijlenver verwijderd. Hoewel Offenbachs stuk een van de meest briljante komedies aller tijden is slaagt Habbema erin het uit te voeren als een pluche jaren-zeventig-tv-operette met Marco Bakker. In plaats van Bakker staat Ernst Daniël Smid op het podium, die vooral opera-achtig zingt, met naast hem Antje Monteiro, die weer klinkt als een soul diva, verdwaald in Parijs. Ook verder was La Vie op alle posities volkomen verkeerd bezet, zonder enig gevoel voor Offenbach of operette. De handeling werd tot volstrekte onherkenbaarheid omgegooid en er sprongen continu cancan-danseressen rond om ‘een vrolijke stemming’ te verbreiden. Het niveau van de grappen was gedaald tot dat van het café op de hoek, en had met Offenbach niets te maken.

Het publiek was 55-plus. Het idee operette voor jonge mensen interessant te maken lijkt daarmee grondig mislukt te zijn. Men vraagt zich af: waarom koos Habbema zo’n relatief ouderwets stuk, waar binnenkort de al even ouderwetse Csardasfürstin op moet volgen? Het zijn stukken die door elk willekeurig amateurgezelschap in elk willekeurig Hollands dorpshuis met meer liefde en met meer gevoel voor stijl worden gebracht. Waar zijn de vernieuwingen, die de subsidie rechtvaardigen? Waarom heeft Habbema zich zelfs niet een klein beetje laten inlichten over wat operette eigenlijk ís, en hoe dat elders in de wereld tot uiting wordt gebracht? In Parijs loopt nu met spectaculair succes de Chanteur de Mexico van Francis Lopez in het Chatelet Theater, met een Pierre et Gilles-poster en veel camp en kitsch. dnno is bezig met de planning van nog een _roaring twenties-_operette voor het seizoen 2007-2008.

De onthutsende conclusie: de ondersteuning met publiek geld van het not moet ogenblikkelijk worden beëindigd, want dat is duidelijk alleen aan pr en kostumering besteed, niet aan artistieke bedoelingen. Dat is vooral onacceptabel omdat de kunstvorm operette in Nederland erdoor beschadigd wordt, in plaats van interessant gemaakt. En dat is een catastrofe van de eerste orde.

La Vie Parisienne, Nederlands Operette

Theater, Rai, Amsterdam, 2 en 3 november; tournee tot en met 31 januari 2007.

Kevin Clarke is verbonden aan het Operetta Research Center Amsterdam