Voetbal

Catullus en voetbal

Voor het eerst in lange tijd beleeft de vaderlandse voetbalcompetitie een zinderende slotdag. In theorie kan alles nog: Ajax kampioen, Groningen nacompetitie, Heerenveen Europa in. En nog mooier: de afgelopen weken leek elk voetbalweekeinde beslissend. Gelukkig deden de spelers precies wat ze als opdracht hadden gekregen als de competitie was gemanipuleerd door televisiezenders en commercieel ingestelde competitieleiders. Als volleerde marketeers van de Holland Casino-eredivisie verkregen en verspilden ze de punten op de juiste momenten, waardoor hun clubs’ uiteindelijke positie op de ranglijst voortdurend onzeker bleef.

Helaas is de spanning grotendeels theoretisch: zowel PSV als Groningen heeft komende zondag genoeg aan één punt. PSV om kampioen te worden, Groningen om de nacompetitie te ontlopen. Toen ik het hem voorzichtig suggereerde, sputterde zelfs de voorlichter van FC Groningen niet tegen. «Het zal wel op een gelijkspelletje uitdraaien, ja», was zijn weinig opwekkende commentaar. Toch blijft er genoeg reden om naar het Oosterpark te gaan, aangezien het elftal dit seizoen de kwaliteiten ontbeert om een gelijkspel zeker te stellen. Bruggink, Kezman of de voormalig FC Groningen-voetballer Robben hoeven het maar op de heupen te krijgen of de FC kan in enkele minuten tijd op een onoverbrugbare achterstand worden gezet.

Bovendien heeft Groningen een reputatie te breken op dit gebied. Zowel Ajax, PSV als Feyenoord werd kampioen in het Oosterpark in wedstrijden waaraan FC Groningen zich niet veel gelegen liet liggen. In ’89 verloor het vrij gemakkelijk tegen PSV. In ’92 en ’98 werd het respectievelijk 0-3 en 2-4 tegen Ajax en in ’93 werd het maar liefst 0-5 tegen Feyenoord. Alleen in ’91 en ’97 maakte Groningen het PSV lastig in de voorlaatste speelronde, toen de onvergetelijke Djurovski (de «magiër uit Macedonië», beroemd geworden door met zijn handen in de zij op de bal te wachten) PSV zijn titelkansen ontnam.

Het monsterverlies tegen Feye noord, precies tien jaar geleden, heb ik zelf als een persoonlijke ramp ervaren. Ik stond op de tribune, lange zijde oost. Sterker dan ooit heb ik die middag ervaren hoe frustrerend het soms is om fan te zijn. Het was mooi weer en de Groningse voetballers hadden zin in een gek spelletje. Het ging nergens meer om, vonden zij. Er was geen degradatiegevaar en er kon ook geen plek op de ranglijst meer worden gestegen. Het gekke was dat de spelers helemaal niet lui leken. En ik geloof ook niet dat er sprake was van omkoping of een complot. (Daarvoor was Groningen in die dagen te ongevaarlijk.) Het was erger: de Groningse voetballers hadden deze middag aangegrepen om eens iets heel anders te doen. Om nu eens niet straf te dekken, of je man te volgen naar de andere kant van het veld. Samen met meer dan tienduizend mensen zag ik dat de belachelijk voetballende Roemeen Ilie alle corners voor zijn rekening nam. Dat de technisch onbegaafde Slor twee Feyenoorders op eigen helft probeerde te passeren en hoe libero Veenhof niets onoorbaars deed, he-le-maal-niets, zelfs niet toen hij er uitgesprint werd door de trage Jozef Kiprich. Het moest kennelijk een leuke middag worden, maar alleen voor de spelers zelf. Het allermafste moment staat me nog helder bij: Blinker maakt een gruwelijke overtreding. Het publiek hoopt op rood. Maar wat doet de Groningse verdediger Gall? Hij smeekt — o vreemde collegialiteit — scheidsrechter Van Vliet om de kaarten op zak te houden.

Als supporter sterf je. In 105 minuten spuwden de mensen om mij heen al hun gal over het team dat in dienst speelt van de club waar ze dagelijks aan denken en die hun gemoedstoestand zo bepalend beïnvloedt. Plotseling zagen ze wat heimelijk bekend is. Dat hun fanatisme helemaal niet gedeeld wordt door de mensen die hun object van dagelijkse deliberaties zijn. Spelers spelen voor een contract, voor een transfer naar een betere club, of uit gewoonte, en sommigen misschien zelfs uit liefde voor het spel, maar nooit uit de redeloze, zinloze liefde die de supporter voelt voor de kleuren van zijn club. Die middag leken de spelers te spotten met de wetten van het betamelijke.

Het was zo’n moment dat je ze allemaal haat. Ja, zelfs Jos Roossien, de technische diesel van het Groninger middenveld, eenmalige internationaal en zwaar onderschatte kracht in het Nederlandse voetbal. (Hij had een Davids kunnen zijn, ware hij niet zo verknocht geweest aan het hoge noorden.) Het is niet het supportersgeweld maar de ontmaskering van de illusie die sommige supporters de das om doet.

Clarence Seedorf, elk jaar weer bij een andere club, vertelde onlangs in een interview dat hij eigenlijk nooit naar voetbal kijkt. En er ook niet veel over leest. De positie in de Spaanse competitie van zijn oude club Real Madrid kon hij zich ook niet voor de geest halen. Dat mag natuurlijk. Sterker, het zal wel getuigen van een gezonde persoonlijkheidsstructuur. Maar ik kan er niet tegen. Al weken vreet ik alle informatie die in de verste verte iets met dit competitieslot te maken heeft. Wist u bijvoorbeeld dat Ajax en PSV bij gelijke punten en een gelijk doelsaldo een beslissingswedstrijd moeten spelen? En dat dit in 1958 al eens is voorgevallen, toen Dos en SC Enschede streden om het kampioenschap? De gedachte dat Mateja Kezman hier niets van afweet, kan ik nauwelijks verdragen. De gedachte dat Kezman het ook geen bal kan schelen, is ronduit onverteerbaar. «Ik haat en ik bemin», dichtte de jonge Romein Catullus in een soortgelijke situatie van onbeantwoorde liefde. «Waarom doe ik dat, vraag je je misschien af/ Nescio — ik weet het niet — maar ik voel het gebeuren en ik lijd.»