Spanje wordt een coalitieland

Caudillos in de touwen

Bij de gemeenteraadsverkiezingen in mei vond in Spanje een machtsverschuiving plaats van politiek naar burgerij. Op veel plekken drukten burgerplatforms de PP en PSOE in de oppositie. De nationale verkiezingen beloven interessant te worden.

Medium spanje

‘We hebben laten zien dat politiek op een andere manier bedreven kan worden. Onze campagne is niet gefinancierd met euro’s, maar met een heel nieuwe munteenheid: creativiteit, spontaniteit en plezier’, zei Manuela Carmena (71), de nieuwe burgemeester van Madrid, op de verkiezingsavond van 24 mei. Carmena, lang werkzaam als rechter en advocaat in de arbeidersbeweging, is de nieuwe heldin van progressief Spanje. Met een brede linkse coalitie, Ahora Madrid (Madrid Nu), lukte het haar de hoofdstad na 24 jaar van de rechts-liberale Partido Popular (PP) weg te kapen.

Het verhaal in Barcelona is zo mogelijk nog sterker: daar lukte het Ada Colau, een 41-jarige activiste die sinds 2009 bekend staat om haar strijd voor de duizenden Spanjaarden die door de crisis hun huis uit zijn gezet, met eenzelfde linkse coalitie als winnaar uit de bus te komen. Ook zij wordt burgemeester. Xavier Trias, van de centrum-rechtse Convergència i Unió (CiU), kan zijn koffers pakken. ‘Deze verkiezingen kunnen opnieuw een speerpunt zijn voor een democratische revolutie’, had Colau begin mei al voorspeld, met een toespeling op de historische gemeenteraadsverkiezingen van april 1931. Wie toen zijn koffers pakte was de koning; de volgende dag was Spanje een republiek. Nu blijft de kersverse koning Felipe VI voorlopig nog wel even zitten, maar evengoed is het politieke landschap onherkenbaar veranderd.

De verkiezingen in mei waren de vuurdoop voor drie debutanten op het Spaanse politieke toneel: Ciudadanos, een centrum-rechtse partij die al een aantal jaren in Catalonië actief was; Podemos, de in 2014 opgerichte linkse partij, voortgekomen uit de indignados-beweging, die de politiek drastisch wil vernieuwen en een socialer economisch beleid voorstaat; en een hele reeks lokale plataformas ciudadanas of candidaturas de unidad popular (CUPs), burgerplatforms of volkseenheidslijsten die zich, met steun van Podemos, op de gemeenteraden richtten. De media noemden de verkiezingen bij voorbaat al historisch en ze kregen gelijk. Hoewel de PP nog wel de meeste stemmen trok, verdwijnt de partij bijna overal in Spanje naar de oppositie.

Ciudadanos kwam iets minder sterk uit de bus dan sommige peilingen voorspelden, maar heeft meer dan vijftienhonderd raadszetels veroverd en zit nu in bijna alle regionale parlementen. Podemos heeft bewezen veel meer te zijn dan de eendagsvlieg waarvoor de critici de parvenu uitmaakten. Hoewel het bijna nergens lukte om de PP en de sociaal-democratische psoe daadwerkelijk te verslaan – iets wat peilingen een half jaar geleden nog voor mogelijk hielden – kwam Podemos op veel plaatsen als sterke derde uit de bus. Maar het verrassendste resultaat op 24 mei was het onverwacht grote succes van de CUPs die, behalve in Spanje’s twee grootste hoofdsteden ook in Zaragoza, Cádiz, Santiago en andere gemeenten het lokale bestuur kunnen gaan vormen.

De ruk naar links is duidelijk. Maar wat deze verkiezingen echt historisch maakt is het feit dat ze het einde van een tijdperk inluiden. De afgelopen dertig jaar was het land voornamelijk een tweepartijenstelsel, waarin de PP en de psoe samen soms tachtig procent van de stemmen trokken. Met steun van een kiesstelsel dat grote winnaars bevoordeelt, betekende dat vaak dat een van de twee in zijn eentje kon regeren op lokaal, regionaal en nationaal niveau. Op 24 mei kwam het gecombineerde aantal stemmen op de psoe en PP nog maar net boven de vijftig procent uit. Het poldermodel komt daarmee naar Spanje: bijna overal zullen coalities gevormd moeten worden. Dat wordt even wennen, voor zowel burgers als politici. De naderende parlementsverkiezingen, die waarschijnlijk in november gehouden worden, maken de onderhandelingen er niet makkelijker op.

‘Coalitieregeringen zijn goed voor de Spaanse politiek’, zegt hoogleraar politieke filosofie José Luis Villacañas, auteur van een boek over de geschiedenis van de politieke macht in het land. ‘Ze geven het voordeel aan politici die in staat zijn om met complexiteit om te gaan. Daarmee erodeert de verticaliteit en het simplisme van Spanje’s politieke organisaties en hun afhankelijkheid van autoritaire caudillos.’

Podemos heeft bewezen meer te zijn dan de eendagsvlieg waarvoor critici de parvenu uitmaakten

Spanje beleeft een ongekende machtsverschuiving van politiek naar burgerij. Commentatoren spreken van een ‘tweede transitie’, bijna veertig jaar na Spanje’s vreedzame overgang van dictatuur naar democratie. Lang werd dat proces – gebaseerd op een akkoord tussen het Franco-regime en de oppositie – gezien als een voorbeeld voor de rest van de wereld. Maar eind jaren negentig begon het keurig afgezoomde succesverhaal rafels te vertonen. Jongere generaties vroegen zich af waarom Spanje nooit een waarheidscommissie had ingesteld om de misdaden van de Franco-dictatuur aan de kaak te stellen, waarom tienduizenden slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog nog steeds in massagraven lagen, en hoe het kwam dat Franco’s economische en politieke elites veertig jaar na de dood van de dictator niets van hun macht leken te hebben ingeleverd.

In de economische crisis van 2008 en de indignados-beweging drie jaar later kristalliseerden deze vragen zich uit tot een coherente kritiek op de status quo, uitgedrukt in een handvol beknopte ideeën. Naast de slogans ¡No nos representan! (Ons vertegenwoordigen ze niet!) en ¡Democracia real YA! (Echte democratie NU!), had iedereen het opeens over het bestaande systeem als el régimen de 1978, een term die associaties met de dictatuur opriep. De democratische grondwet van dat jaar – die onder meer Spanje’s systeem van autonome regio’s in het leven riep – werd ondertussen gekenschetst als een korset of hangslot (candado) dat nodig moest worden opengebroken. Dat klonk ook veel Basken en Catalanen als muziek in de oren.

Podemos, opgericht in januari 2014, stelde zich ten taak de weeffouten van 1978 te herstellen door de Spaanse democratie nieuw leven in te blazen – te beginnen met het partijsysteem zelf. Via duizenden lokale raden (círculos) werd met internet en sociale media een nieuw soort directe democratie op poten gezet. Het grootste struikelblok was volgens Podemos la casta: een kaste van professionele politici die gewone burgers buitensloten en die via steekpenningen, geheime deals en draaideuren veel te nauwe banden onderhielden met de banken en het bedrijfsleven. De niet aflatenden stroom van corruptieschandalen bevestigde het beeld van gevestigde politici die zichzelf verrijkten terwijl de rest van het land verpauperde. Podemos beloofde behalve een nieuw soort politiek ook een radicaal andere aanpak van de economische crisis, die in Spanje had geleid tot torenhoge werkloosheid, massale huisuitzettingen en armoedecijfers die aan de Derde Wereld deden denken. Tegen deze achtergrond won de vier maanden oude partij in mei 2014 vijf zetels in het Europees Parlement; een half jaar later stond Podemos in de peilingen aan kop.

Die hooggespannen verwachtingen deden de jonge organisatie bijna de das om. Het hele politieke establishment, van rechts tot links, ging in de aanval. De grote mediaconcerns, die nauwe banden onderhouden met de gevestigde politieke partijen en het grootkapitaal, deden daar nog een schepje bovenop. In de lente gonsde het van de geruchten over een interne crisis. De breuklijn had Podemos bij zijn geboorte meegekregen: aan de ene kant de drang om de verkiezingen te winnen en dus te proberen met een gedisciplineerde, gematigde boodschap stemmen uit het centrum te werven; aan de andere kant trouw aan de radicale traditie, het horizontalisme en het open debat.

Podemos kwam de winter niet zonder kleerscheuren door. In de maanden voor de verkiezingen verloor de partij bijna tien procent in de peilingen. Maar ondertussen had de opkomst van Podemos zijn stempel op het land gedrukt. Het is geen toeval dat sinds de Europese verkiezingen koning Juan Carlos is afgetreden, de psoe een nieuwe jonge leider heeft verkozen en alle partijen het opeens over corruptie en ‘regeneratie’ hebben. De opkomst van Ciudadanos, wier leider Albert Rivera door de media wordt gekenschetst als een nettere, centrum-rechtse versie van Podemos-leider Pablo Iglesias (wel een colbertje, geen baard en paardenstaart), zou ook zonder Podemos ondenkbaar zijn geweest.

Gezien de getemperde verwachtingen heeft Podemos het lang niet slecht gedaan. De partij besloot al in oktober om zich alleen in de regionale verkiezingen met eigen lijsten te presenteren. Om zich binnen luttele maanden klaar te stomen voor Spanje’s ruim achtduizend gemeenteraadsverkiezingen werd als een te groot risico gezien. In plaats daarvan werden Podemos-leden aangemoedigd lokale ad hoc-verbindingen aan te gaan, zolang die maar de hoofdlijnen van Podemos’ economische programma en de strenge anticorruptie-eed onderschreven. Deze lappendekenachtige plataformas of CUPs bleken tot veler verrassing succesvoller dan de pure Podemos-lijsten. (Saillant detail: Carmena en Colau maakten met regelmaat duidelijk dat zij zelf geen lid van Podemos waren.)

Alle burgerplatforms zijn vastbesloten grote schoonmaak te houden en de corruptie uit te bannen

Het sleutelwoord van de CUPs is confluencia: het samenkomen van verschillende stromingen. De waterbeeldspraak is met opzet gekozen. De massale protesten tegen de bezuinigingen en privatiseringen van de afgelopen jaren noemden zichzelf mareas, vloedgolven, met elke sector zijn eigen kleur: wit voor de gezondheidszorg, donkerrood voor de economische emigranten, blauw voor de watervoorziening, enzovoort. De CUPs zijn coalities van oude en nieuwe mareas en andere protestbewegingen. Wat hen bindt zijn concrete, lokale programmapunten, maar ook een inzet op politieke vernieuwing die zich onder meer uit in strenge ethische normen: volledige transparantie, besnoeide vergoedingen voor politici (Colau brengt haar burgemeestersalaris met driekwart omlaag), beperkte herverkiezingen en een zero tolerance-corruptiebeleid.

‘Het is een heel nieuwe opvatting van politiek’, zegt filosoof Villacañas. ‘In plaats van een structuur waarin professionele politici carrière maken, wordt de partij een platform in dienst van de burgers, die vertegenwoordigd worden door diegenen die op elk gegeven moment het meest betrokken zijn in de strijd voor sociale rechten. De banden die de partij bij elkaar houden – samenwerking, loyaliteit en solidariteit – zijn niet gebaseerd op een hiërarchische, bureaucratische structuur, maar op zuiver ideële aspecten: overtuiging en reflectie.’

De winnende programma’s in Madrid, Barcelona, Zaragoza, Santiago en andere steden hebben veel gemeen: noodplannen om armoede en huisuitzettingen tegen te gaan; schuldsanering; investeringen in openbare voorzieningen en hun privatisering stopzetten; meer geld voor onderwijs en onderzoek; banen scheppen. Alle CUPs zijn ook vastbesloten grote schoonmaak te houden, de corruptie uit te bannen en zo nodig hun voorgangers juridisch te vervolgen.

De zes maanden tot de nationale parlementsverkiezingen beloven interessant te worden. In de Partido Popular is paniek uitgebroken. De positie van Mariano Rajoy, premier en partijleider, is verzwakt. Rajoy houdt koppig stand, maar alles wijst erop dat de erosie van de PP zich gestaag zal voortzetten. ‘Met de PP in de oppositie in Madrid en Valencia, en met Colau als burgemeester van Barcelona, verliest de partij snel de trouw van haar resterende kiezers’, voorspelt Villacañas.

In Podemos heeft het succes van de CUPs het interne strategiedebat opnieuw aangezwengeld. Moet de partij in zijn eentje de verkiezingen ingaan, zich openstellen voor kandidaten uit andere groeperingen maar vasthouden aan zijn merknaam, of zich bij een breder volksfront aansluiten? Als Carmena en Colau het goed doen, en als de partij bescheiden, onzelfzuchtig en flexibel genoeg blijkt om zich ook op nationaal niveau open te stellen voor brede allianties, heeft het Griekse Syriza in de Europese Unie vanaf volgend jaar wellicht een nieuwe bondgenoot.


Sebastiaan Faber is hoogleraar hispanistiek aan Oberlin College in de Verenigde Staten


Beeld: (1) 25 mei, de activiste Ada Colau is net tot de eerste vrouwelijke burgemeester van Barcelona verkozen (Matthias Oesterle / Zuma Press / HH)