Frans Hals, The Laughing Cavalier, 1624 © Trustees of the Wallace Collection, London

De tentoonstelling Frans Hals: The Male Portrait in The Wallace Collection in Londen valt uit de toon. De Londense vestigingen van Tate Gallery hebben dit seizoen meer vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars op de agenda staan, wereldwijd groeit de aandacht voor mensen die tot de achtergrond veroordeeld waren. Maar hier, in de bescheiden tentoonstellingsruimte in de kelder van een zeventiende-eeuwse stadsvilla, hangen dertien portretten van witte mannen die genoeg geld en aanzien hadden om Frans Hals een portret van ze te laten schilderen.

De schilderijen komen van ver – uit Canada, de VS, Praag en slechts één uit Nederland, van het Rijksmuseum. Het eerste portret maakte Hals als dertiger, rond 1610, bij het laatste was hij in de tachtig, en aangezien deze groep klanten consistent was in hun verzoek – een portret vanaf het middel zonder extra rekwisieten – is goed te zien hoe de Haarlemse schilder zijn penselen steeds losser over het doek liet gaan.

Toch is de tentoonstelling ook voor niet-kunsthistorici interessant. De hyperfocus op het mannenportret maakt de technieken duidelijk die Hals en de mannen zelf gebruikten om de indruk te wekken te blaken van zelfverzekerdheid, geld en mannelijkheid.

Hoofdpersoon is The Laughing Cavalier uit de eigen collectie – een vrijgezel die niet lacht en die geen ruiter is, maar sinds het museum eind negentiende eeuw opende kreeg hij deze naam, en er is dus geen reden het naambordje te wijzigen. Met zijn triomfantelijke grijns, uitbundige borduursels op zijn hemd en linkerarm stevig in zijn zij is hij de personificatie van het mannelijke zelfvertrouwen.

Het schilderij is een icoon in de Engelse kunstbeleving, zo blijkt uit de audiotour van Grayson Perry. Dat die kunstenaar bij de sobere tentoonstelling is gehaald, is een slimme zet: Perry komt regelmatig als travestiet in de openbaarheid en heeft grote belangstelling voor expliciete genderverschillen. Onlangs presenteerde hij een televisiedocumentaire en bijbehorend boek onder de titel The Descent of Man, waarin hij onderzoekt of mannelijkheid aan een herziening toe is.

De cavalier is zelfs het eerste schilderij dat Perry zich kan herinneren van zijn kindertijd: zijn moeder kreeg een reproductie met de gespaarde zegeltjes van het waspoeder. ‘Hij was duidelijk uit met z’n maten’, is Perry’s interpretatie nu. ‘Pas in de achttiende eeuw kregen mannen steeds meer een saai keurslijf, dat zie je nu in het grijze maatpak. Maar hij mocht nog sensueel zijn. De vrouwen van die tijd waren ingetogen. Depeacocking men hadden de decoraties en frivoliteiten.’

Niet alle mannen kwamen zo zelfverzekerd naar voren als het icoon van The Wallace Collection. Sommigen zijn wat saai, anderen doen juist iets te veel hun best. Hilarisch is het portret uit Praag van Jasper Schade, een Utrechtse patriciërszoon die niet bespaarde op de kosten van zijn kleermaker. Hals schildert de jas in virtuoze zigzagstreken, toch kon hij het niet nalaten de jongeman overdreven arrogant over ons heen te laten kijken.

De tentoonstelling geeft de bezoeker een nieuw perspectief op de mannenportretten in de rest van het museum én op de levende specimens daarbuiten.

Frans Hals: The Male Portrait, t/m 30 januari, The Wallace Collection, Londen, wallacecollection.org