MUZIEKTHEATER La Calisto

Cavalli’s empathie

Steeds maar weer wordt Francesco Cavalli (1602-1676) herontdekt als de belangrijkste zeventiende-eeuwse operacomponist naast Monteverdi. Wordt het niet tijd dat zijn 27 opera’s eens worden opgenomen in het vaste operarepertoire? Of is er iets dat hem de mindere maakt van zijn waarschijnlijke leermeester Monteverdi? Aan René Jacobs, de Belgische dirigent van oude muziek en ontdekker en reconstructeur van vergeten meesterwerken, zal het niet liggen. Bij vroege opera’s als Cavalli’s La Calisto uit 1651 is de wijze van uitvoering van enorm belang, omdat de muziek in de overgebleven manuscripten veel minder uitgewerkt is genoteerd dan later Mozart of Wagner dat deden. Jacobs heeft voor deze voorstelling van de Nationale Opera De Munt in Brussel, die al dateert uit 1995 maar in februari terecht werd hernomen, Cavalli’s noten ingekleurd met kwelende blokfluitjes, melodieus golvende cornetti, rinkelende tamboerijnen en strelende klanken van orgel en klavecimbel. Vogelfluitjes, donderplaat en windmachine zijn inventieve extraatjes, net als de toonladders die naar beneden roetsjen als een van de personages zijn trapleertje neerlaat.
De Brusselse Calisto is een feestelijke onderneming die de opera in alle opzichten volop recht doet. Het is een tegelijk sprookjesachtige en psychologische weergave van het mythische verhaal uit De Metamorfosen van Ovidius waarbij oppergod Jupiter zich voordoet als zijn dochter Diana om de kuise nimf Calisto te kunnen verleiden, waarna echtgenote Juno haar rivale in een beer verandert en Jupiter het jonge meisje ten slotte als sterrenbeeld de Grote Beer aan de hemel zet. De in 2002 gestorven regisseur Herbert Wernicke leende van de Villa Farnese bij Rome de fraaie plafondschilderingen om een vierkante doos vol uitklapluiken mee te stofferen. De mannen zijn enigszins overdreven koddig als commedia dell’arte-figuren uitgedost, de vrouwen zijn herkenbare mensen in hun naïviteit, verliefdheid, teleurstelling, jaloezie en berusting.
Toch worden de scenische en muzikale vormgeving, hoe belangrijk de rol ook, gedragen door die ogenschijnlijk kale muzieknootjes van Cavalli: een bijna naadloze afwisseling van recitatieven, ariaatjes en instrumentale ritornellen die deze opera zo’n vloeiende dramaturgie geven – en door de karaktertekening die in de melodieën besloten ligt. Sopraan Sophie Karthäuser bijvoorbeeld is met haar fris, ongerept stemgeluid een aandoenlijke Calisto, maar de ziel van haar personage ligt besloten in haar nu eens blijmoedige, dan weer weeklagende vocale lijnen. Zo is het ook met de overige figuren: Jupiter (Johannes Weisser) is geestig wanneer hij, vermomd als Diana, met een hoog stemmetje zingt, maar ook op gewone baritonhoogte wisselen het plechtstatige en het potsierlijke elkaar voortdurend af. Telkens weer, tot in de bijrollen toe, valt de zeldzame empathie op waarmee Cavalli zijn personages in muziek schildert.
De verschillende uitvoeringen van de laatste tijd maken duidelijk dat al Cavalli’s opera’s een shakespeareaanse mengeling bieden van klucht en poëzie, van sprookje en realisme, van mythe en politiek, van drama en komedie. In die grote vrijmoedigheid spreken ze ons nu aan en kunnen ze blijven schitteren, zolang er interpretatoren zijn als René Jacobs en zijn overvloed aan prachtige jonge zangers. Jacobs heeft beloofd meer Cavalli-opera’s te brengen. Hopelijk besluiten ze in Brussel ook Cavalli’s perverse meesterwerk Eliogabalo nog eens te laten herleven.

De oorspronkelijke uitvoering uit 1995 van La Calisto is nu verkrijgbaar op cd en dvd: www.harmoniamundi.com; www.demunt.be