Ceci est un kunstkop (1)

In het persoonlijke vlak schijnt Fuchs een aardige man te zijn - ik weet dat niet, ik heb hem een keer ontmoet, en een keer in een restaurant gezien, waarbij het me opviel dat hij als een gewoon mens zijn mes en vork kon vasthouden en dat er maar heel weinig uit zijn mond viel, op zijn servet.

In de uitoefening van zijn vak als museumdirecteur is er helaas een grotere discrepantie tussen mij en Rudi Fuchs.
Zodra Fuchs over kunst praat, begrijp ik hem niet. En zodra ik hem lees, weet ik niet wat er staat.
Toen Fuchs net directeur werd van het Stedelijk, vertelde hij bijvoorbeeld in een interview in een gezaghebbend blad dat het hem een hele tijd had gekost om te ontdekken dat ‘een museumzaal vier muren had, en dat die muren iets met elkaar te maken hebben’.
Een foutje van de journalist, dacht ik nog. Ik meende dat Fuchs iets gezegd zou hebben als: je hebt in een museumzaal vier muren en je moet zorgen dat je daar dingen op hangt die iets met elkaar te maken hebben, anders drukt het ene schilderij het andere weg. Maar nee. Even later hoorde ik Fuchs op de radio precies hetzelfde te zeggen: 'Een museum heeft vier muren, daarbinnen is een ruimte en het heeft me heel wat jaren gekost om te ontdekken dat er een samenhang tussen die ruimte en die muren moet zijn.’
Een paar maanden na Fuchs’ aanstelling als directeur gaf hij de muren van het museum een kleurtje.
Een daad!
Begrippen als ruimte en muren hebben waarschijnlijk andere betekenissen voor Fuchs dan voor mij. Dat roept vragen op als: Wat is de juiste betekenis van Fuchs’ woorden? En kan ik die uit de tekst halen? Is het mijn fout dat ik zijn connotaties niet ken? En wat moet ik doen, kunnen om hem wel te begrijpen?
Op 9 augustus werd Fuchs in het NRC Handelsblad uitgebreid geinterviewd over een tentoonstelling die hij had georganiseerd in Paliano. Daarin zegt Fuchs over het werk van Jan Dibbets: 'Jan Dibbets reageert hier op de ruimte. Zijn vroegere werk is heel precies gelokaliseerd op een vlak, terwijl hij hier ineens heel vrij met die motieven omgaat. Dat zie je met grote kunstenaars.’
Bestaat er een kunstenaar, of een gewoon mens of dier, of een ding desnoods dat niet reageert op de ruimte, dan wel zelf ruimte inneemt? Elk schilderij of beeldhouwwerk, zelfs elk glas-in-loodraam oefent invloed op een ruimte uit.
Alles reageert op de ruimte. Wat is het belang van deze uitspraak met betrekking tot het werk van Dibbets? Hoe onderscheidt Dibbets’ werk zich volgens Fuchs van ander werk?
Dat zegt Fuchs niet - dat soort zaken zegt hij nooit.
Er ontbreekt altijd iets aan zijn uitleg - en dat maakt mij wantrouwend. Mijn conclusie is dat hij zelf niet weet waarover hij spreekt.
Aan het eind van het interview noemt Fuchs zichzelf een ambachtsman - hij gebruikt daar een Italiaans woord voor en zegt: 'Ik zeg altijd dat ik een artigiano ben.’
Is hij, Fuchs een ambachtsman? In welke ambacht dan? In het smaakvol ophangen van schilderijtjes en het neerzetten van beeldhouwwerken? In het aanschaffen van kunst met geld van ons? En is de kunstenaar niet de artigiano?
Die rare neiging van museumdirecteuren om zichzelf als kunstenaar te gedragen! Wat is dat voor iets eigenaardigs. Geven ze daarmee zelf niet de waardeloosheid van de kunstenaars aan?
Ik heb Fuchs al eens uitgedaagd om met mij een polemiek te beginnen, liefst schriftelijk, maar in debatvorm mag ook, over de kunstkritiek en de taal die de kunstcriticus moet hanteren. Tot op heden durft Fuchs dat niet - en ik weet wel waarom, want dan wordt zijn kunstenaarschap aangetast, de artigiano-ballon doorgeprikt.
Ik zal de komende weken eens speciaal letten op de taal van de kunstrecensenten.