Ceci est un kunstkop (3)

Onderzoekje gedaan.
Deze week bezocht ik twee openingen van schilderijententoonstellingen. Ik zorgde ervoor dat ik voortdurend bij een bekende stond als ik naar een schilderij keek, en dan zei ik: ‘Eigenlijk heb ik er niet zo veel verstand van, maar ik vind het wel mooi.’

U denkt natuurlijk dat ik nu ga schrijven: ‘Bijna iedereen bevestigde daarop dat hij of zij ook eigenlijk geen verstand van kunst had.’
Dat is niet waar, ik laat het woord 'bijna’ weg: iedereen bevestigde daarop dat hij of zij eigenlijk ook geen verstand van kunst had.
Verstand van kunst: hoe verwerf je dat en hoe maak je er gebruik van? Ik heb zelf alles geleerd van de straat, dus het enige waarover ik kan meepraten is popmuziek. Hoe leerde je dat? Je luisterde naar grammofoonplaten en probeerde die na te spelen. Je keek af hoe je vriendjes het speelden, soms leerde je elkaar iets, af en toe probeerde je wat te componeren en hup: je was popster.
Ik kon ook zien en horen of anderen goed waren; je kon namelijk heel goed toetsen met je oren hoe anderen dezelfde problemen hadden opgelost als waar jij voor stond. Dat viel altijd uiteen in twee dingen: Ze waren technisch verder. Ze konden bijvoorbeeld technisch veel beter gitaar spelen dan ik. Of ze konden net zo veel als ik, maar hadden iets gevonden - iets nieuws of iets anders of ze gebruikten iets van vroeger - dat heel goed klonk. Ik hield meer van het laatste dan het eerste. Maar alles was altijd controleerbaar.
Nu, vijfentwintig jaar later, kan ik de popmuziek nog vrij goed volgen, wat de techniek betreft. Maar de opvattingen deel ik niet. Ik kan niet tegen house, Madonna vind ik meer een persoonlijkheid dan een muzikant en Prince vind ik aardig, maar is mij te esthetisch. Guns 'n’ Roses is voor mij geen vernieuwing.
Wat ik merk is dat ik er zo veel van weet dat ik makkelijk welke poprecensent dan ook zou kunnen vervangen. Ik zou ook nog steeds met het merendeel der artiesten kunnen meespelen. En wat ik ook merk, is dat ik precies koop en beluister wat ik mooi vind. Daar zit tegenwoordig veel traditioneel werk bij. Ik schaam mij er niet voor om alles te willen hebben van Django Reinhardt en Jimi Hendrix. Laatst ook weer alle cd’s van Eric Clapton gekocht. (Ik heb leren gitaarspelen door Clapton na te doen.)
Niemand vindt dit raar.
Maar nu de moderne beeldende kunst.
Loop ik door het Stedelijk Museum, dan wil ik dat net zo doen als ik naar muziek luis ter. Met kennis van zaken, want ik kijk al dertig jaar min of meer bewust naar kunst. Ik heb er betrekkelijk veel over gelezen en het een jaar gestudeerd.
Maar toch. Grote onzekerheid bevangt mij, want ik vind het niks. Ja, oplichterij. Het vervelende is nu, dat ik die oplichterij niet bevestigd krijg.
Er zijn mensen die voorwenden verstand te hebben die het prachtig vinden. Nu is dat niet zo erg. Ik ga wel mijn eigen weg. Maar wat zo erg is, is dat je als bekrompen wordt gezien als je de Django Reinhardt of de Jimi Hendrix van de beeldende kunst wilt kopen. Ik zei laatst dat ik bijvoorbeeld best wel eens een beeld zou willen hebben van Charlotte van Pallandt en dat ik dat varken van Jeff Koons bij het grof vuil zou zetten.
Dat werd als naief ervaren.
Zo vind ik David Hockney een van de grootste kunstenaars van deze tijd.
Rudi Fuchs vindt van niet. Hij vindt hem zelfs geen kunstenaar.