Ceci est un kunstkop (4)

Ik zit voortdurend mijn dochter te bewegen goede boeken te lezen; tevens wil ik dat ze naar goede muziek luistert en naar goede toneelstukken gaat en goede televisieprogramma’s ziet en goede kunst bekijkt.

Ik weet dus wel degelijk wat goed is.
Wat ik niet weet, is voor dat goede een degelijke, compacte formulering te bedenken, zodat u ook weet wat ik goed vind. Toch wil ik een poging wagen: ik vind datgene goed wat steeds weer de indruk wekt dat ik het nog nooit heb gezien, gehoord of gelezen, terwijl ik het toch herken.
Ik heb dat met De Avonden van Reve. Dat boek kan ik steeds opnieuw lezen; ik herken het en toch is het steeds nieuw. Zo ook met de stijl van Gerard: ik herken die archaische wendingen en toch wekt het de indruk alsof het iets geheel nieuws is.
Met het bekijken en beoordelen van kunst is het net zo.
Schoonheid is ongetwijfeld iets… “subjectiefs” heet dat geloof ik - persoonsgebonden dus, en daarom meent men dat het geen zin heeft om erover te schrijven, te spreken of te recenseren, omdat elke persoon weer anders gebonden is.
Dat is nogal dom.
Verliefdheid is ook nogal persoonsgebonden… subjectief dus, maar je komt nooit aan de vrouw als je daarover hardnekkig blijft zwijgen.
Een recensent hoeft niets anders te doen dan zijn eigen verliefdheid kenbaar te maken en de redenen van die verliefdheid zo aardig mogelijk op te schrijven.
Wat tegenwoordig erg in de mode is, is het geven van een kunstbeschrijving met zo weinig mogelijk oordeel er in. Bijvoorbeeld: “Terpentijn schildert met sierlijke heldere lijnen tegen een pastelachtergrond. Zijn onderwerpen zijn: moeder en kind, het leven en de dood, en tevens heeft hij een serie schilderijen ’‘woordloze dimensies” genoemd.“
Dit is de vrouw op wie je verliefd beschrijven als: ’'Els heeft benen, borsten, een buik, twee voeten en een slanke hals. Ze woont in de Pythagorasstraat.”
Wat je ook vaak leest, is dat men wil laten blijken niet van de straat te zijn en daarom filosofen, stromingen en persoonlijke impressies bij elkaar gooit: “De postmoderne actie van Terpentijn - zijn derridaanse deconstructies van de grammatica van de schilderkunst - is zeker boeiend, omdat de kijker geconfronteerd wordt met het hedendaagse onvermogen tot originaliteit.”
Ik ken een kunstcriticus die zo doet en ik weet van hem dat hij zijn vrouw beschreef aan de hand van haar eindexamencijfers op de middelbare school: “Els had een zeven voor haar vertaling van Tacitus, een negen voor de vertaling van een gevechtsstuk van Herodotus, een acht voor Frans, een acht voor Engels, een zeven voor Duits en een negen voor aardrijkskunde. Daarom hou ik zielsveel van haar… Zo'n meisje vind ik nooit meer.”
Recenseren is wat de inhoud betreft niet moeilijk: je moet met kennis van zaken hartstochtelijk schrijven over datgene wat je boeit of tegenstaat.
Dat doet in Nederland op het ogenblik niemand.
Niemand durft.
Ze sturen onderhand wel hun kinderen naar “de beste” school, ze geven die “de beste” boeken en gaan met die kinderen naar “de beste” toneelstukken. Dat doet iedereen voor zijn kind.
Alleen recensenten schijnen niet te weten wat dat beste is.