Ceci est un kunstkop (5)

Toen mijn vader was gestorven, wilden mijn broer en ik weten wat een bepaald schilderij waard was. We kwamen terecht bij een veilingmeester die ik kende van mijn studie. Hij had kunstgeschiedenis gestudeerd en heette Rob.

Rob zocht in een boek op wat er van de schilder bekend was. Hij keek naar de tijd waarin het geschilderd was. Keek naar de schildertechniek, stelde vast dat het ‘typisch Haagse school’ was, pakte enkele catalogi en stelde een prijs vast op grond van vraag en aanbod.
'Vind je het een mooi schilderij?’
'Niet zo’, zei Rob.
Hij vertelde waarom niet: de voorstelling was erg klassiek, wat wel gebruikelijk, maar niet bijzonder was in die dagen. Het kleurgebruik was wel mooi. De vormen - Rob had het over 'de tekening’ - was ook klassiek. Zijn conclusie luidde: 'Typisch een randfiguur.’ Waarna hij andere schilderijen liet zien van de Haagse School die er duidelijk uitsprongen.
Alles was uit te leggen - ook de schoonheid van het schilderij. Het had niets uitgemaakt of ik het schilderij mooi had gevonden of niet. Ik vond het mooi, maar na Robs uitleg begreep ik dat mijn kennis over het schilderij mijn smaak beinvloedde.
Ik vond het schilderij daarna niet mooi meer.
Je hoort vaak dat je iets op grond van je kennis niet mooi mag vinden. Je moet iets zien en dan je oordeel vormen op grond van wat je ogen hebben waargenomen. 'Het doet me gewoon wat.’ Met je hersens kijken is dan verboden.
Het omgekeerde hoor je ook wel: 'Ik vind dit mooi, want dit is Cobra.’ Die mensen houden van een naam, een periode, een stijl. Die mensen kijken niet met hun ogen, ze kijken met de prospectus in de hand.
Ik behoor tot die laatste categorie en ik zal eerlijk zeggen: wegens gebrek aan kennis. Ik hou van een aantal stijlen, de schilders van die stijlen en hun gedachten, ook al onderschrijf ik die niet. Ik kan precies formuleren waarom ik die schilders mooi vind - en daarom hou ik ook van hun afwijkingen; hun schilderijen of beelden die mislukt zijn.
Waarom heb ik een gebrek aan kennis? Omdat ik nu eenmaal de tijd niet heb om die kennis te vermeerderen. Ook kennis is een keuze.
Journalisten menen ook dat je de kennis over schilders en hun schilderijen moet overdragen. Ze gaan die schilders dus interviewen en hun schilderijen bespreken. En dan gaat het fout. De kunstenaar blijkt bijna nooit te schilderen in taal. En waar Rob de veilingmeester trefzeker kan oordelen, staat de recensent met zijn mond vol tanden. De recensent wil namelijk een verbond sluiten tussen zijn lezers, hemzelf en de kunstenaar. En dat kan niet.
Per definitie heeft de lezer een gebrek aan kennis die alleen door de journalist opgevuld kan worden als die lezer dat wil. De lezer moet dus verleid worden door de stijl van de journalist. Maar die stijl van schrijven kan wel eens haaks staan op het onderwerp dat hij ter bespreking heeft.
Hoe los je dit probleem nu op?
We gaan van groot naar klein: je lost dit op door een talentvolle journalist te zoeken. Wat is talentvol? Iemand die kan schrijven en verstand heeft van kunst.
Wie kan schrijven? Iemand die gelezen wordt. Wie heeft verstand van kunst?
Iemand die er veel wat weet.
Maar als hij er dan volkomen naast zit met zijn mening?
Dan hebben de lezers een leuk stukje, de krant een goede journalist en de kunstenaar pech. Dat is zijn lot, daar kunnen we niets aan doen. Dat is het kunstenaarsrisico.