Ceci est un kunstkop 8

`Hoe word je nu kunsthandelaar?‘ vroeg ik vroeger wel eens aan wijlen Andriaan Venema in Keyzer. Hij vertelde dan dat je van een schilder veel moest weten en dan moest je grote werken inkopen als je daar zeker kopers voor had en van kleine werken moest je de waarde bepalen op vorm en kleur. Hoe naturalistischer een schilder, hoe hoger de prijs. Bij abstracte schilders moest je vooral letten op de combinatie van de basiskleuren. Adriaan zei: 'Hoe zonniger het schilderij, hoe sneller men het boven de bank wil hebben, hoe hoger de prijs.’

‘Maar onbekende mensen, hoe zit het daar mee? Ik bedoel, hoe weet je nou of die goed zijn of niet?’ vroeg ik.
Adriaan zei dan altijd: 'Dat is natuurlijk je persoonlijke smaak. Maar als iemand onbekend is, moet je hem bekend maken.’
Adriaan vertelde mij eens het verhaal van een Caribische schilder die hij had ontdekt en ingekocht. Vervolgens maakte hij een boek over die schilder - dat ik overigens helaas nog nooit heb gezien - en stuurde dat rond naar alle bevriende relaties. Op een zelf georganiseerde tentoonstelling verkocht hij daarna alles uit.
Dat zie je vaak: verschijnt er een boek over een schilder, dan wordt die schilder altijd meer waard. Publiciteit doet de vraag op de markt stijgen.
Waardestijgers voor een schilder (lees kunstenaar), dat zijn in volgorde van belangrijkheid: tentoonstellingen in musea, boeken, televisie, galerieen, opdrachten, kranteinterviews, stukken in kunstbladen, persoonlijke collecties, vrienden.
Je zou dit lijstje een traject kunnen noemen. Een kunstenaar die hogerop wil, kan van onderen naar boven werken. Hij kan ook ingrijpen en zorgen dat hij sprongen maakt. Hij kan bijvoorbeeld zorgen dat hij in de krant komt door iets geks te doen, hij kan een boek over zichzelf laten maken, hij kan zorgen dat hij zijn eigen kunstblad uitgeeft, hij kan, kortom, ervoor zorgen dat er om en rond hem iets van een cultuur ontstaat. Hij kan, als hij dit alles niet heeft of kan, ook net doen alsof. Dus: tegenover vrienden net doen alsof je belangrijke interviews krijgt, alsof er belangrijke stukken over je verschijnen, doen alsof Fuchs belangstelling voor je heeft. Dat werkt ook al, gek genoeg. Al werkt de waarheid altijd beter.
Via de wet die zegt dat succes succes genereert gaat vervolgens alles vanzelf: je bekendheid wordt groter, je prijzen stijgen, je wordt rijker, je kan daardoor meer bladenmakers, boekenmakers en krantenmakers voor je interesseren, je prijzen worden hoger, je wordt rijker, je kan daardoor… et cetera.
Het aardige van dit alles is dat 'kwaliteit’ geen enkele rol speelt. Niet alleen een kunstenaar wordt gemaakt, kwaliteit kan ook worden gefabriceerd daar waar je de cultuur goed in eigen hand hebt.
Dat is dan ook de reden dat kunstenaars die een stuk plakband om een autoband wikkelen, na bijvoorbeeld een televisiefilm bij de VPRO, opeens gezien worden als grote cultuurdragers.
Tragisch zijn de kunstenaars die voor zichzelf menen kwaliteit te maken maar wier kwaliteit niet wordt erkend. Die zijn afhankelijk van mensen met smaak.
Hoe moeten die mensen met smaak erachter komen dat je als kwaliteitskunstenaar bestaat? Vooral als je als kunstenaar alleen maar kunst wilt maken en geen zin hebt in de media voor aap te spelen?
Die vraag is onoplosbaar. En, zoals gezegd, hij is tragisch voor de kwaliteit leverende kunstenaar, maar hij is goed voor onze cultuur. Want ik kan later de onbekende kunstenaar die kwaliteit levert ontdekken, hem verzamelen, over hem publiceren en rijk aan hem worden.