Ik bezocht eens een opgraving op de citadel van Aleppo en vroeg de archeoloog wat hij daar dacht te vinden. ‘U zegt het maar, en het is er’, zei hij. ‘Onder de Mammelukken liggen de Kruisvaarders, daaronder de Arabieren, de Romeinen, de Grieken van Alexander, dan de Achaemeniden, Feniciërs, Hettieten, Assyriërs en Egyptenaren en dan zijn er ook nog veel oudere lagen, maar daar zijn we nog niet aan toe gekomen.’ Een vergelijkbare rijkdom biedt de opgraving van de oude havenstad Jbeil, vroeger Byblos, in Libanon: ook daar zit 8500 jaar historie in de grond. De Leidse tentoonstelling gaat er begrijpelijkerwijs met flinke stappen doorheen, maar slaagt erin een coherent beeld te geven van een zeer lange periode van voorspoed: tussen 3200 en 1200 voor Christus was het plaatsje zelfs de belangrijkste havenstad in het Middellandse-Zeegebied.

Byblos-figuren, brons en goud, circa 2000 voor Christus, uit Byblos © © Ministry of Culture, Lebanon / Directorate General of Antiquities

Het is prettig dat die status hier niet ronkend wordt aangezet, zoals je dat bij tentoonstellingen over de Oudheid wel vaker ziet, maar met frisse reserve (‘over de meeste mensen die in Byblos wonen en werken is helaas weinig bekend’) en een gevoel voor precisie. ‘Hier is de internationale handel ontstaan, gedefinieerd door waardebewustzijn en prijsvorming’, zegt de tentoonstelling, maar het woord ‘handel’ wordt meteen genuanceerd: de farao in Egypte ontving geschenken uit Byblos en verder weg, maar daar betaalde hij niet voor, stel je voor, hij was immers bijna goddelijk. Hij schonk op zijn beurt kostbaarheden aan de lokale godin, de ‘Dame van Byblos’, iemand van zijn niveau. Natuurlijk was dat geschenkenverkeer per saldo ‘handel’, maar de nuancering geeft nader inzicht in wat de kwaliteit van die internationale verbinding met de machtige god-vorst bepaalde.

Het genoegen van de tentoonstelling zit ’m in de opmerkelijke oudheid van de voorwerpen, de opmerkelijke vertelkracht van soms heel kleine objecten (rolzegels, godenbeeldjes met puntmutsen), én in een paar heel specifieke getuigenissen van historische figuren.

Centraal in de lange geschiedenis staan de ceders van Libanon, die zo bijzonder lang waren, zo bijzonder lekker roken en zulke fijne olie afleverden. Het trof dat Byblos aan de monding lag van de rivier Adonis, waardoor de enorme stammen gemakkelijk uit het hoge achterland naar de kust konden worden vervoerd. De farao stuurde daarvoor een opzichter, Idu, die ook met naam en toenaam bekend is, sterker nog: hier is zijn sarcofaag te zien, een kloeke kist van grote cederhouten planken die eruitziet of-ie vorige week in elkaar getimmerd is. Dat is een fijn contrast met het onwaarschijnlijk fraaie kistje van obsidiaan en goud met de naam van farao Amenemhat IV, dat in het graf van koning Ipy-Shemu-Abi gevonden is, omstreeks 1770 voor Christus.

En dan arriveren de Assyriërs, en daarna de Babylonische koningen, de Perzen, Alexander de Grote, enzovoort. De fraaie Romeinse artefacten in het tweede deel van de tentoonstelling lijken dan, bij al dat wat voorafging, opeens heel gewoon.

Byblos, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, t/m 12 maart. rmo.nl