Esther Naomi Perquin publiceerde de dichtbundel Celinspecties waarin ze een gedetineerde inrichting van binnenuit beschrijft, als cipier. Kunstenaar Risk Hazekamp ging undercover als man door het verlaten land van de witte Amerikaan. Ook Herman Heijermans vermomde zich, als arme bezocht hij een armenhuis in Berlijn, in de wijk waar nu de zevende Biënnale aan de gang is. Stijn Verhoeff schreef er aan een boek, samen met Jasper Coppes, en stelt het tentoon in Amsterdam. En het tijdschrift Action poétique is dood maar met de grafsteen ervan heb je wel meteen de meeste poëzie die je in een aankoop kunt krijgen.

De laatste Action poétique is verschenen. En met laatste bedoel ik ook het allerlaatste, het Dernier numéro, ook genaamd L'intégrale. 210 nummer zijn er gemaakt in 62 jaar. Was er een reden om te stoppen? Niet echt, zegt Henri Deluy, voor in het nummer. Er waren genoeg abonnees, vooral de afname aan bibliotheken in andere landen was groot, de verkoop in de boekhandel was zwak maar nam net weer toe. Er was geen ideologische reden om te stoppen, het was duidelijk waar het blad zich op oriënteerde. Er was geen persoonlijke reden, er was geen conflict binnen de redactie. Maar het werd gewoon tijd om ermee te stoppen. Deluy persoonlijk deed het al zestig jaar, telkens nummers in elkaar zetten en toegegeven, het was zijn eigen zwakte dat hij dit enorme werk niet met anderen kon delen. En ja, toch, de condities van het maken van tijdschriften, het maken, ze verspreiden, het vergaren van de teksten heeft de neiging steeds complexer te worden. Je kunt daarin lezen: Deluy wordt oud, ja wat wil je, hij is boven de tachtig. En je kunt daarin ook in lezen: iedereen doet steeds moeilijker over de dingen, en dan heeft hij het ook over medewerkers, auteurs en afnemers, het wordt steeds lastiger een blad in elkaar te zetten.

Vaak zijn het niet de meest bijzondere nummers, die slotakkoorden. Sven Vitse beschreef het laatste nummer van Raster,Het Einde’ als een soort staande receptie. Iedereen die heeft meegewerkt en alle voormalige redacteuren krijgen nog een keer de ruimte, alfabetisch gerangschikt op naam van auteur of vertaler ontstaat er een soort index met nieuw werk. Eigenlijk is zo'n slotakkoord een bloemlezing, maar wel een wat terloopse, het bevat teksten die net klaar zijn. 306 bladzijden bevat dit nummer. Maar de reden om dit nummer wel absoluut aan te schaffen, voor wie Frans leest en van poëzie houdt, is de cd-rom die erbij zit. Alle 62 jaargangen staan er als pdf op. Je hebt een enorme boekenkast op een schijfje. En hoe koppig de houding van het tijdschrift vaak ook was, je kunt er een hele geschiedenis aan aflezen. De landen die Deluy verkende, de dossiers die hij samenstelde, de vertalingen die hij maakte en liet maken. Je ziet wanneer hij de vijftigers leert kennen, hoe het blad voortkomt uit de arbeidersbeweging (die in Marseille in de jaren vijftig dichters bij hun bijeenkomsten liet voorlezen) en zich losmaakt van het communisme. Het is onmogelijk om met een aankoop meer poëzie van de hele wereld in huis te halen dan met dit schijfje in het tijdschrift.

Of het verscheiden van Action poétique, de vitale jeugdige grijsaard onder de tijdschriften, betekent dat we het hele medium wel kunnen vergeten, wil ik niet zeggen, daar kom ik vast nog wel eens op terug in deze rubriek. Literaire tijdschriften worden alleen maar gelezen door mensen die er in willen publiceren, schreef Chrétien Breukers in zijn vorige hoedanigheid als redacteur van Schrijver & Caravan. Dat is wellicht wat overdreven, maar het illustreert wel de vreemde verhouding tussen de winkeldochters die het zijn en de buitenproportionele belangstelling als ze dreigen te verdwijnen. Alsof daarmee de tijdgeest kan worden afgemeten, waar gaat het heen met dit soort media en werkplekken, hoe ontwikkelen die zich, wat komt ervoor in de plaats als het helemaal verdwijnt. Grip proberen te krijgen op de tijdgeest is vaak een wat akelig gezelschapsspel.

Neem nou de Berlinale die afgelopen weekeinde opende. De eerste locatie is KW Institute for contemporary art. Je loopt binnen in een Occupy Berlinale, hetzelfde als de Occupy-beweging elders, maar dan neergezet als kunst. Je wilt eigenlijk liever de beweging zelf zien, als sympathisant of medestander of desnoods uit nieuwsgierigheid. In een kunstruimte word je tamelijk kriebelig ervan. Nadeel is ook dat door de hoeveelheid politiek getinte werken de kwaliteit er tussen niet meer opvalt, ondergesneeuwd raakt. In een andere Biënnale of in een museum is het werk The Jewish Rennaissance Movement in Poland erg verfrissend om te zien. De beweging is een oproep om met 3.300.000 joden de joodse Gemeenschap in Polen opnieuw op te bouwen. Het is compleet fictie, deze oproep van Yael Bartena, maar documentair in beeld gebracht als een serieuze beweging. Dat geeft een verwarring die de gedachte prikkelt en politiek bewust maakt. In de zevende Berlinale verdwijnt die impact, door de overkill aan politiek getinte werken.

In een kamer boven de film van de fictieve beweging, is er een nieuwe wereldkaart gemaakt. Alle 4592 inzendingen voor the open call van de zevende Berlinale is naar hun politieke overtuiging gevraagd. Al hun namen staan bij de richtingen, liberal, leftist, anarchist, green, feminist, conservative, a-political. Op Artwiki.org [http://artwiki.org/Special:BrowseData/Artist] zijn ze allemaal te vinden. De grootste groep zijn nog steeds de non-voters.

Eigenlijk is de Biënnale precies een half jaar te laat, een half jaar later dan het hoogtepunt van de engagements-hype, zegt een van de residenten in Berlijn. Ik weet niet of dat een Nederlandse notie is en je moet inrekenen dat de literatuur soms met een horrelvoet achter de andere kunsten aan hinkt. Tekenend is de grote golf aan Nederlanders, kunstenaars en bezoekers, die Prenzlauerberg overspoelt, mensen die er rondlopen als een soort culturele uitwijkelingen. Bij een standje voor een galerie kun je armbandjes met het expres fout gespelde ‘Gëintegreerdt’ kopen. Je krijgt de neiging om Marinus van der Lubbe, de brandstichter van de Reichstag, de Jongen met je wankel hoofd zoals het kunstenaarsduo Ron Sluik & Reinier Kurpershoek hem ooit noemde, meer kunstenaar te noemen dan deze massa aan kunst-Occupy'ers.

Maar het kan ook anders. Stijn Verhoeff, resident van het Mondriaan Fonds in Berlijn, schreef samen met Jasper Coppes een boek, Scharrelaar getiteld. En het is gewoon een literair boek, mooi geschreven, met oog voor detail en duidelijke gedachtenlijn en een verre invloed van Francis Ponge in zijn neutraliteit. Het boek is alleen niet in een boekhandel te vinden, maar wordt in de galerie van Jeanine Hofland in Amsterdam gepresenteerd en er wordt op 10 mei uit voorgelezen.

Een andere verrassing is dat Herman Heijermans vijf jaar in Berlijn verbleef en als een soort Gunther Walraf avant la lettre bij de verworpene is komen kijken, zich ‘s nachts heeft aangemeld in het voorportaal van het armenhuis van het toen (1908) straatarme Prenzlauerberg, waar niet minder dan vijfduizend daklozen naar binnen willen. Heijermans omschrijft de aankomsthal waar de daklozen op elkaar gestapeld in grote hitte moeten wachten en de stank ondragelijk is. Opvallend is dat de stijl van onze brave socialist Heijermans als hij de gedegenereerde beschrijft bijna op die van Céline gaat lijken. Hij heeft het vol degustatie over de verstikkende rotte atmosfeer en gebruikt de wending ’‘t haat in je op’. Het verscheen ooit als Berlijnse impressies en schetsen en is opgenomen in de aardige verzamelbundel Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor, waarin prozafragmenten van Nederlandse en Vlaamse schrijvers van 1871 tot 2004 in staan. Veel is hetzelfde gebleven in de toch zo veranderlijke stad waar zich nogal wat heeft afgespeeld. Bijna iedere schrijver klaagt over de bureaucratie van de diensten, die momenteel niet minder is. Er zijn onder de Nederlandstalige auteurs die Jan Konst bundelde zowel verslagen van langere verblijven als korte bezoeken. ‘Veel mensen reizen zonder er veel meer aan te hebben dan wat onrust en wat vermoeidheid,’ schreef Lodewijk van Dijssel te Berlijn. Hij verwondert zich over het woord innemen wat Duitsers voor eten of drinken gebruiken, alsof de consumptie een te veroveren vesting of juist een medicijn zou zijn. J. van Oudshoorn noemt Berlijn ‘Een strop voor het socialisme’. Als je een kamer hebt wil je een etage, als je een etage hebt wil je een heel eigen huis. Neem nou het bordje boven een opgang ‘Alleen voor heerschappen’ dat hij in 1905 aantreft.

‘Partciperende journalistiek’ noemen we het tegenwoordig, wat Heijermans daar in dat armenhuis deed. Dat schrijft Jan Konst, de samensteller van het boek. Het is ook van toepassing op de expositie Solitary Fruit van Risk Hazekamp, te zien in de Galerie Funke in Kreuzberg. Hazekamp liet zich inspireren door het boek Black Like Me van J. H. Griffin, een blanke journalist die zes weken lang in 1959 als zwarte door de raciaal gesegregeerde zuidelijke staten van Amerika reisde, met de Greyhound-bus en liftend. Een dokter had hem geholpen zijn huid donker te maken. Risk Hazekamp bezoekt dezelfde plekken en desolate gebieden, het Amerika van de eenzame witte man. Ze heeft haar op haar kin en heeft haar borsten ingebonden, haar haar verstevigd. Risk Hazekamp fotografeert altijd zichzelf, dat is het eerste dat opvalt. Maar het is niet zozeer alleen haarzelf. Tegelijk zijn het ook portretten, verhalende foto’s die de locatie benadrukken. Als oude filmposters laten ze het desolate land zien, waar de undercover artiest feilloos inpast. De flyer van de tentoonstelling is een book cover van een bestseller, met foto’s van voor en na haar stap over de gender line en een pakkende achterplattekst: ‘She trudged southern streets searching for a place where she could eat or rest, feeling “solitary”. She (…) crossed the line into a country of hate, fear and hopelessness - the country of the American White man.’

Ester Naomi Perquin publiceerde haar derde dichtbundel Celinspecties. Of de dichter nu om haar opleiding aan de Schrijversvakschool te betalen gewerkt heeft als cipier, of dat ze die opleiding gedaan heeft om over haar ervaringen als bewaker in de gevangenis te schrijven, dat is aan de dichter zelf. Iemand op de Freie Universitaet deed laatst de suggestie dat Nederlandse dichtbundels thematischer zouden worden omdat het Letterenfonds sinds een jaar of tien de dichters vraagt een werkplan te maken voor een nieuwe bundel. Of die bundels daarmee meteen ook conceptueler zijn, van die vraag wil ik afzien. Je kunt zoveel plannen maken of schrijven, de vraag is of er tijdens het schrijven van gedichten toch wel iets anders gebeurt dan men zich voorneemt.

Het bijzondere van Celinspecties is dat de bundel wel de gevangenis beschrijft, de gedetineerden die vaak een alibi voor hun motief lijken te zoeken, een rare uitleg geven aan hun misdaad. En tegelijk gebeurt er veel meer in de bundel dan dat. Iedere reeks zet in met een naam waarvan de achternaam met een initiaal wordt weergegeven. Maar de gedichten die daarop volgen blijven allerminst gevangen. Ik heb zelden een bundel gelezen waaruit zoveel mensenkennis spreekt als deze van Ester Naomi Perquin.

Je droomt in een gevangenis niet van een kamer samen maar van een tuin. Dat is een heel sterke en aannemelijke verbeelding. Perquin is zowel plastisch als filosofisch als ze schrijft over ‘De stalen deur van zelfbehoud’. Het zijn ‘kamers/ waar geen vreemden kwamen.’ Ze geeft stem aan veel, de gevangenen, de daders, de bezoekers, de achterblijvers, minnaars, ouders, en de bewaker. En telkens spreekt de reden van de detentie vooral middels de rechter, wat die op dat korte moment bepaalde en wat de aangeklaagde toen kon zeggen of als motief kon weergeven voor zijn daad. De actuele misdaad wordt zelden beschreven, hoogstens via een hint. De bundel wordt gedragen door de uitleg die de dader eraan geeft, de al of niet verzachtende omstandigheid. En dat alles is het werk van de dichter, dat zijn de woorden van Perquin. Ook de monologen waarmee ze in hun huid kruipt, zoals in het gedicht ‘Wat dus heel bepalend is geweest’:

Dat ik droomde dat ik wakker werd in een lichaam dat niemand had verteld,
de buik een bolwerk van verzet, niet in te snoeren vel, de borsten
monsterlijk gezwollen. Iets met hormonen dat ik niet meer weet,
het viel niet in te tomen zo weelderig rond

en hoe iemand zei: zo mooi hoe jullie dat allemaal dragen, die hele ravage
van echte natuur, zulk authentiek geweld, die buik waarin
de hele wereld plaats zou kunnen nemen, ja ik was zo vreselijk vrouw
als jij nou bent dan zou ik dagen voor de spiegel staan mezelf
te bevatten, besef jij dat eigenlijk wel

en dat ik me heb omgedraaid, ben gaan lopen om hoekig te worden
en sterker en platter van boven, ik werk aan mijn zelfstandigheid,
denk geen seconde aan kinderen en zo dol als ik nu ben
op bierlucht en bergen rood vlees

het is niet te geloven hoe weinig ik mis in mijn eentje, stapels
ongestreken overhemden, al dat haar op mijn gezicht
en niet hoeven praten, er komen geen bloemen
of beterschapskaarten, ik heb een computer,
de deur hou ik dicht -

Of de spreker nu een misdadiger is, wat de schijn heeft, of niet, het geeft de reikwijdte aan van de bundel. Door de thematiek van het gevangenschap, gaat de bundel net zo goed over wat daar wordt ontbeert, dochters die gemist worden, het leven buiten, relaties, liefde. ‘ik bracht een jongen op de been die met een tak/ langs de spijlen van een hek een helder/ hoorbaar ritme bracht’ is tekenend voor haar toon, in het gedicht Verkeerd begrepen. Er is een mooi gedicht ‘Brieven onder nummer’ dat je als parabel kan lezen voor de vrijlating en verzwijging van de detentie, maar net zo goed als de verlegenheid bij een eerste afspraakje: ‘Nooit zeg je wat. Je jeugd alleen/ zou vlekken maken op haar vloer.’ Maar zelden is Perquin, ondanks haar helderheid, echt expliciet, en dan krijg je het soort gevangenispoëzie dat je zou verwachten: ‘Moet je dit maar geloven: ik heb niet geleerd/ te ontroeren. Ik ben achttien./ Ik zit vast voor moord.’ Zelden komt de crime-scene in beeld in de gedichten, behalve hier: ‘Ze lachte heel even en daarna/ viel ze neer alsof ze een jas was geweest/ die ineens van haar hangertje gleed.’ Goed, er staan een paar flauwigheden in als ‘soepetende persoon’, maar ik hou wel van de spreektaligheid van deze dichter.

Het is pas in het laatste gedicht dat de deur op slot gaat en je niet anders kan dan meevoelen wat het is om in de gevangenis te zitten. Het gedicht heet Lied en je kan het zien als ballade van de jeugdig gedetineerde die Bennie genoemd wordt. De cipier spreekt, beschrijft wat Bennie doet en zijn angsten, zijn hekel aan bezoek. Ze troost de jongen - al is het de vraag of ze dat kan - door tegen hem te praten door de openstaande kier van de deur als hij aan het douchen is, dat zijn moeder hem komt opzoeken. En ze legt uit ‘Je kreeg een stempel in je vuistdikke dossier en ik legde je uit/ wat het was, dat de deur hiermee werd dichtgedaan/ omdat geen rechter ruimte zag.’ Belangrijk in het gedicht zijn Bennie’s handen, als die geen nagels hebben zou hij alleen maar aaien, wat zijn misdaad suggereert. Ze bloeden volgens de jongen. De cipier of de dichter raadt hem aan pillen in te nemen om te slapen, en misschien zit in dat advies wel de clou. ‘denk niet dat wij/ ooit ontkomen aan de klap waarmee een stempel/ neerkomt op papier’. Als de jongen wordt gevonden staat er dit:

Ik kreeg niet de schuld, eiste de schuld ook niet op, de schuld lag
op de vergadertafel voor het grijpen en lag daar nog
toen we vertrokken, het was gebeurd,
we moesten aan de slag
.

Pas als de moeder van de overleden Bennie de cipier aan de telefoon vraagt en zegt ‘het is voor u vast ook/ een sombere dag’ komt de impact van het gevangenschap en cipier zijn met een mokerslag aan. Wat een weergaloze bundel, wat een ijzingwekkend sterk gedicht.


Ester Naomi Perquin, Celinspecties. Van Oorschot, 72 blz., € 14,50 ;

Action poétique, L'intégrale, dernier numéro. Les Belles Lettres, 304 blz., € 21,-;

Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor. Samenstelling Jan Konst, Meulenhoff, 322 blz., € 21,50;

Solitary Fruit van Risk Hazemkamp is tot 19 mei te zien in Galerie Funke, Willibald-Alexis-Straße 14, Berlijn. www.galeriefunke.de;

Het boek Scharrelaar van Jasper Coppes en Stijn Verhoef wordt tentoongesteld op de expositie There was a country where they were all thieves, gecureerd door Natasha Ginwala, van 4 mei tot 7 juni te zien in Jeanine Hofland, De Clerqstraat 62, Amsterdam;

Het boek Jongen met je wankel hoofd van Ron Sluik & Reinier Kurpershoek is te vinden in de collectie van De Lakenhal.