KUNST

Cellen

Absalon

2 Samuel 18:18: ‘Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zeide: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd: Absaloms hand.’
Met die melancholieke passage in het achterhoofd wordt de gang naar de tentoonstelling Absalon in Museum Boijmans een beetje een plechtige onderneming. De kunstenaar die er wordt getoond, Meir Eshel, die zichzelf Absalon noemde, stierf op 28-jarige leeftijd. Zijn werk bleef lang onopgemerkt. Het eerste wat de bezoeker bij binnenkomst ziet is Absalons geschoren hoofd, gevangen op video in een monitor, schreeuwend. Daarna blijkt de grote zaal gevuld met enorme witte volumes, als een omgevallen reuzenblokkendoos. Daartussen staan grote bunkerachtige bouwsels. Alles is wit.
Meir Eshel was een Israëlische militair die zijn carrière vaarwel zei en een jaartje bij Ashdod op het strand ging wonen in een zelfgebouwde hut. Hij las Nietzsche. Daarna vertrok hij naar Parijs, schreef zich in aan de kunstacademie en veranderde zijn naam. Christian Boltanski werd zijn vriend en mentor. Vanaf 1987 maakte hij modellen, doosjes gevuld met eenvoudige witte rechthoeken, kamertjes, kleine ruimtes; vanaf 1991 maakte hij ze op ware grootte. Van deze Cellules, in wit, gebouwd van hout, karton en gips is er in Rotterdam een aantal te zien. Ze zijn vrij groot, opgebouwd uit herkenbare simpele geometrische vormen - kokers, vierkanten. De maat wordt gegeven door de maat van Absalons lichaam; in sommige zit sanitair, een keukentje, je kunt erin werken en slapen, als in een nucleaire schuilkelder, een Apollo-landingscapsule, Diogenes’ ton.
Ze doen ook denken aan militaire observatieposten, aan wachthuisjes, dingen die Eshel/Absalon misschien uit zijn diensttijd zal hebben gekend. Het witte minimalisme doet een ascetisch verlangen vermoeden, als de cel van de kartuizer, maar dat is het niet: naar eigen zeggen waren de Cellules door Absalon niet bedoeld voor isolatie, maar voor 'living the social’, om een publieke positie in te nemen, op straat, in zes steden. Het zijn Corbusiers machines à habiter, misschien, maar dan op éénpersoonsformaat, zonder de ideologische hoogdravendheid die dat soort architectuur aankleeft. En toch is het bloedserieus. Dat bewijzen, lijkt mij, die video-opnamen, beelden van performances van deze Absalon, met geschoren kop, panisch bewegend in kleine witte ruimtes, schreeuwend. Die bouwsels zijn meer dan modernistische etudes over vorm en ruimte. Het zijn dringende pogingen om veiligheid en geborgenheid te verwerven. Hier was iemand in paniek, of in elk geval: in opstand.
Het is raar hoe een pseudoniem kan uitpakken. Voor Eshel Meir zal Absalon vooral de betekenis hebben gehad van de derde zoon van koning David, die tegen zijn vader rebelleerde, de troon veroverde, maar in de slag bij Efraïms woud werd verslagen. Hij stierf, fameus, omdat zijn haar verstrikt raakte in een hangende tak. Aldus gevangen werd hij met drie speren gedood. De Parijse Absalon had lang haar en stierf aan de gevolgen van aids. Het gaat je, bijbels of niet, niet in de koude kleren zitten. Koning David 'ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’

Absalon, Museum Boijmans, Rotterdam, t/m 13 mei, www.boijmans.nl