‘Cellisten houden van een potje bier’

Het muzikale leven van Anner Bijlsma (1934) draait om karakter. ‘Cellisten zijn meestal heel vriendelijke, gewone en gezellige mensen – ik heb het nou niet over mezelf. Violisten zijn vaak zo ambitieus. Blazers zijn ook heel speciale mensen. Maar cellisten zijn meestal mensen die van een potje bier houden.’

Het instrument dwingt cellisten tot bescheidenheid en brutaliteit, zegt Bijlsma: ‘De cello is een moeilijk instrument, want je weet nooit wat hij doet met de noten die je speelt.’ Ook de manier waarop het instrument tegen je lichaam en je stem aanligt, maakt de cello speciaal. ‘Als mensen over muziek dromen, dromen ze vaak dat ze cello spelen. Omdat het grote instrument tegen je borst ligt, voelt het alsof je met je partner danst.’ Tegelijkertijd beperken de vorm en grootte van het instrument de bewegingsvrijheid van de cellist op het podium. ‘Het maakt ons noodgedwongen brutaal, want de cellist in het orkest is de enige instrumentalist die blijft zitten bij het Wilhelmus. De koningin staat op, maar wij kunnen niet staand spelen, dus wij moeten wel blijven zitten.’

De cello is uniek onder de strijkinstrumenten, vindt Bijlsma: ‘Als violist ben je in een orkest eerste viool of tweede viool. Of je bent solist met een orkest. Maar met een cello is dat anders. Speel je strijkkwartetten, dan ben je min of meer de bas; speel je met piano, dan ben je een tenor; speel je met een orkest, dan ben je een sopraan. Speel je alleen de Bach-suites, dan ben je alles tegelijk. Je wilt misschien kamermuziek maken, of je wilt juist moderne dingen doen: er is altijd een gebied bij waarop je je thuis voelt. De pianist kan niet, zoals de cellist, op honderden manieren een toon produceren, want hij kan alleen maar een klap op zo’n snaar geven. Hij kan een noot maar op drie manieren aanslaan. Zie je de armoe? Dat maakt de relatie met pianisten soms moeilijk. Zij hebben wel eens het gevoel dat de tonen die ze niet kunnen produceren niet bestaan. En eisen dan van de cellist dat hij zich naar de beperking van de piano schikt. Maar er zijn ook geweldige muzikanten bij. Een goede pianist is voor mij vaak iemand die zich schaamt dat de piano zo weinig kan, en de cellist de ruimte geeft.

Tussen cellisten, andere strijkers en blazers gaat het meestal goed. Ik heb veel respect voor blazers. Dat is zo’n vreselijke baan. Als je mooi hebt gespeeld, staat er in de krant dat het mooi gedirigeerd is. En als je een foute noot speelt, dan staat er: de hoorns waren weer niks vandaag. Dan moet je óók zeggen dat het door de dirigent gedaan is. Maar zo wordt niet gedacht.’

Bijlsma heeft het nooit makkelijk gevonden om met dirigenten om te gaan: ‘Ik vind het dubieus als je een ander wilt vertellen wat hij moet doen. Dat vind ik gewoon op straat ook al vervelend.’

Voor Bijlsma waren de eigenschappen van de cello niet de reden om voor het instrument te kiezen: ‘Mijn vader had een strijkkwartet, maar geen cellist. Dus moest ik het doen. In de oorlogsjaren was er geen muziek, geen radio, helemaal niks. Dan speelden we thuis wel eens met iemand uit het orkest die veel meer kon dan ik. Daar was ik dan helemaal kapot van. Zo werd ik vanzelf muzikant, en al snel had ik veel succes. Op mijn 25ste werd ik ineens overvallen door twijfel. Wil ik de rest van mijn leven cello spelen of gewoon een eerlijk vak leren? Die twijfel heeft me bewust gemaakt van mijn keuze voor de cello en uiteindelijk word je daar een betere musicus van.’

‘De componist Boccherini, ook cellist, is mijn grote voorbeeld. Maar ook Bach was een heel goede strijker. Zijn werk overtreft al het andere. Chopin speelde iedere morgen, voordat hij ging componeren, een fuga van Bach op de piano. Liszt maakte fuga’s op het woord Bach. Mozart bestudeerde dagenlang de werken van Bach op een zolderkamertje in Wenen. Beethoven zei: Bach? Meer soll er heissen! Hij zou “zee” moeten heten, in plaats van “beekje”. Ook Strawinsky, die veel lelijke dingen zei over andere componisten, heeft over Bach nooit iets kwaads gezegd.

Pas als je in staat bent om je los te maken van hoe anderen een stuk spelen, en niet van tevoren met opzet de andere speelwijze hoeft te bedenken, dán ben je een buitengewoon musicus. Je moet gewoon een artiest zijn om de Bach-suites op je eigen manier te kunnen spelen en dat vereist ontzettend veel oefening. Niet voor niets voeren cellisten de suites pas op latere leeftijd op. Ik interesseer me niet zo voor andere interpretaties van cellisten. Tenzij iemand mij wijst op een opmerkelijke uitvoering. Want ik luister wel naar de suites die zijn gespeeld op een baritonsaxofoon uit Japan. Dat klinkt geweldig! En ik heb ze ook op gitaar, accordeon en blokfluit. Mijn vader speelde ze vroeger op zijn trombone. Maar de mooiste die ik heb zijn van een man uit Lyon die ze op een vibrafoon speelt. Dat is buitengewoon, heel zachtjes en prachtig gespeeld.

Muziek is een intieme toestand. Daarvoor hoef je niet naar school, je vindt het ineens verdomd mooi. Je draait je radio aan of je draait hem uit. Als je het gevoel hebt gekregen dat die mensen met die klassieke muziek te veel van zichzelf denken en dat het een kakkerige bedoening is, dan heb je daar natuurlijk de pest aan, zeker als je jong bent, maar als je er eenmaal door gepakt bent, dan zal dat ook wel doorzetten. Ik geloof dat de reclame die voor klassieke muziek wordt gemaakt de intimiteit ervan weghoudt. Dan staat er weer zo’n grote dirigent een slag in de lucht te geven op de gevel van het Concertgebouw en dan denk je: wat moet ik met die vent? Zelf heb ik liever drie leuke mensen in de zaal dan honderd vervelende. En ze hoeven er niet per se iets van te weten. Als je van muziek houdt, houd je van muziek.

Je hoeft dus niet beroemd te zijn om een groot artiest te zijn, maar je moet een verhaal kunnen vertellen dat de ruimte vult. Dat kan ook buiten de bekende concertzalen. Zo is er in Amsterdam een straatmuzikant met een accordeon die ik fantastisch vind! Hij zit bij het Concertgebouw en dan lopen ze hem voorbij. Daar komen ze natuurlijk niet voor, want het heeft geen geld gekost. Maar ik blijf altijd staan en ik moet hem altijd veel geld geven. Ik vind die man een groot artiest.

Ook de fantasie en inventiviteit van moderne musici zoals de jazzcellist Ernst Reijseger inspireren mij. Ernst en ik hebben wel eens dingen samen gedaan, dat was meestal erg geestig. Zo ging bij een optreden in België in de zaal een telefoon af. Begon Ernst meteen het deuntje mee te spelen.’

Anner Bijlsma heeft tijdens de Biënnale een serie van vijf ontmoetingen: ‘Alle cellisten die op de Biënnale komen vraag ik een stuk te spelen en dan met mij te bespreken waarom ze dat zo fijn vinden. Iets heel persoonlijks, wat niet bedoeld is om met een orkest te vertolken, maar waar je met je deur op slot, stiekem als je vrouw niet thuis is, zelf mee bezig bent.’

h Ontmoetingen: 29 en 30 oktober, 2, 3 en 4 november, 12.15 uur, Bimhuis. Toegang gratis. Op 4 november speelt Bijlsma in Bach & Break-fast de eerste Suite in G van Bach. Grote Zaal, 9.30 uur, toegang e 7,50