Censuur

Censuur

De Britse regering wil een verbod uitvaar digen op het bekijken van «extreme porno», vooral op internet. Wie een tijdje heeft rondgesurft kan zich daarbij wel iets voorstellen. Seks lijkt op internet een steeds hechtere band aan te gaan met geweld, pijn en ordinaire verkrachting. Ze rollen als lokkertjes over het beeldscherm nog voordat één cent is overgemaakt voor toegang tot het walhalla van het «members only».

Hoe een dergelijk verbod moet worden afgedwongen, weet de Britse regering nog niet, maar dat is een praktische kwestie. Principiëler is de vraag of het niet aan de burger zelf moet worden overgelaten welke dingen hij wel en niet wil zien. Het begrip «censuur» is nooit erg populair geweest, maar in de loop van de twintigste eeuw uitgegroeid tot een bijna universeel taboe. Het lijkt onverenigbaar te zijn geworden met iedere democratische gedachte en identiek met regimes die elke dissidente mening smoren.

Over meningen gaat het bij een verbod op extreme vormen van seks of geweld echter nauwelijks meer. Uitingen zijn deze sites zeker, maar een opinie wordt er niet in uitgedragen, laat staan ter discussie voorgelegd. Discutabel is veeleer hun bestaan en de waarden waardoor zij worden gedragen – maar die er wel voor oppassen zich expliciet te tonen. Het laatste wat een pornosite wil is wel een gesprek uitlokken over zijn eigen morele gehalte.

Blijft over de vrijheid van de burger, die zelf wel weet wat goed voor hem is. Of dat laatste waar is, is nog maar de vraag. Op het toppunt van hun helderheid kennen mensen heel goed het verschil tussen ge- en verbod, goed en kwaad, en feit en fictie. Maar meestal bevinden we ons daar ver onder en dan nemen al snel andere mechanismen de dienst over. Een van de krachtigste is het mimetische, waaraan we vrijwel al onze kennis en vaardig heden te danken hebben. Mensen zijn na-aap dieren en de mimesis trekt zich weinig aan van goed of kwaad. Wanneer iets waarvan we weten dat het niet hoort een gewoon verschijnsel wordt, sijpelt het dan ook zelf als steeds «normaler» binnen in de criteria van ons gedrag.

Het liberaal-individualistische «ieder-voor-zich» vergeet gemakkelijk dat een samenleving meer is dan de optelsom van persoonlijke beslissingen. Wie kiest voor een bepaalde smaak, moraal of tijdsbesteding kiest daarmee tegelijk voor het karakter van zijn maatschappij. Een land vol liefhebbers van seks & porno is niet hetzelfde als een land vol Mozart-fans. Iedere individuele voorkeur heeft zijn uitstraling als voorbeeld van mogelijke na-aperij. Een verbod op extreme porno laat zich dan ook niet alleen legitimeren met een beroep op de directe slachtoffers, zoals nu al bij kinderpornografie gebeurt. Het is de samenleving als geheel die indirect slachtoffer wordt van een sluipende corruptie.

Daarmee maakt haar verweer de individuele burger nog niet automatisch deugdzamer. Mijn verlangen naar prikkeling neemt er niet door af, maar de vervulling ervan wordt geremd door het simpele feit dat het pikante materiaal voortaan niet meer voor het oprapen ligt. Er schuilt on getwijfeld veel hypocriets in deze eigenaardige variant van private vices, public virtues, maar hypocrisie is nu eenmaal het fundament van iedere beschaving. De betutteling van de burger houdt er niet alleen rekening mee dat deze op veel momenten niet de evenwichtige persoon is die de ideologie van het verantwoordelijk individualisme graag wil. Ze neemt ook de gevolgen ernstig van collectief gedrag, dat voor het individu zelf nooit méér dan persoonlijk kan zijn.

Dit soort verboden bant dus de ondeugd niet uit, noch de aanwezigheid van (extreme) porno in de samenleving. Maar ze voorzien die laatste wel opnieuw van het label van het verbodene, dat de gebruiker eraan herinnert dat zij niet «normaal» zijn. Niet langer onmiddellijk en zelfs ongevraagd beschikbaar zijn ze weliswaar niet onbereikbaar geworden, maar wel is er tussen het verlangen en de vervulling daarvan een uitstel gekomen van moeizaam zoeken en beschaamde aanschaf. Dat geeft de lustbevrediging de traagheid mee waarin het morele besef (zelfs in zijn overtreding) onwillekeurig overeind blijft. Je zou die traagheid de morele variant kunnen noemen van de Tobin-tax, die de omgangssnelheid van het internationale flitskapitaal net genoeg afremt om het van zijn ergste schadelijkheid te ontdoen.

Wie als censor zijn verboden uitvaardigt, en op grond van welke deugdzaamheid, is uiteindelijk van weinig belang, zolang het maar op collectief gezag gebeurt. Het belangrijkste is niet de moraal zelf, maar de weerstand die de overtreding daarvan moet overwinnen.

Anders wordt het echter wanneer de censor zijn geheel eigen plan trekt en de verdediging van moraal (of staatsveiligheid) aanwendt ter zekerstelling van zijn eigen tirannieke regime. Laten we ons er geen illusies over maken: in veel gevallen heeft censuur juist daartoe gediend. Maar maken we ons nog minder illusies over effectiviteit van een taboeïsering van de censuur. Een dictatuur zal altijd wegen vinden om haar wil op te leggen. De conclusie is dan ook niet minder dan een paradox: alleen een democratie kan en mag met goed fatsoen censureren.