Politieke geografie

Centrum aan de periferie

Het middelpunt van Europa ligt iets ten noorden van de Litouwse hoofdstad Vilnius. Zeggen ze. Want de locatie is berekend door een Frans instituut dat begreep dat het Europese centrum niet in Rusland kon belanden.

«Geografinis Europos Centras» is in de reusachtige roze veldsteen gegraveerd, en daaronder een windroos met de coördinaten 52°54’ noorderbreedte en 25°19’ oosterlengte. Dus hier, op dit afgelegen veldje in Litouwen, zou zich het geografische centrum van Europa moeten bevinden. Eromheen liggen glooiende akkers, een vennetje, berkenbosjes en in de verte een weg.

Achter de steen steken betonnen heipalen een klein stukje boven het veld uit. Daarop rustte drie jaar geleden een concertpodium. In 1998 vierde Oostenrijk hier namelijk het begin van zijn voorzitterschap van de Europese Unie. Maar na dat concert werd het weer stil. Op het verlaten veld ligt wat zwerfvuil: een paar bierflessen, chipszakken, twee champagneflessen, hulzen van rotjes.

Toen in 1989 werd vastgesteld dat het middelpunt van Europa vlak ten noorden van de Litouwse hoofdstad Vilnius lag, hoopte deze Baltische staat natuurlijk op de toestroom van toeristen. Die hoop is alweer vervlogen. Dat ligt aan de plek zelf, waaraan elke grandeur of heroïek ontbreekt, maar misschien nog wel meer aan het theoretische karakter dat aan elk middelpunt kleeft. Middelpunten hebben namelijk een groot bezwaar: er valt niets te zien, je kunt je niet met eigen ogen overtuigen van het feit dat het inderdaad dáár is en niet honderd meter verder naar links, of dertig kilometer naar rechts.

In 1995, toen ik hier voor het eerst kwam, was dat gevoel van willekeur sterker dan nu. Er stond nog geen richtingaanwijzer «Europos Centras 0,3» en urenlang zwierf ik met een vage beschrijving in de hand langs zandwegen en gehuchten. «Europos Centras?» vroeg ik aan boerinnen met hoofddoekjes en zwarte, vereelte handen. Hoofdschuddend keken ze me aan. Het centrum van Europa kon zich toch onmogelijk op de plek bevinden waar zij al generaties ploeterden?

Toch vond ik uiteindelijk deze heuvel, die toen nog getooid was met een kleine, zwartgranieten steen die je makkelijk kon oppakken en een stukje verder kon leggen. Wat ik natuurlijk prompt deed. Dat probleem is met de huidige steen van bijna drie kubieke meter overigens uit de wereld geholpen.

De steen is groot genoeg om je op neer te vlijen. Plat op mijn rug probeer ik me een voorstelling te maken van de oude wereld. Al snelt duizelt het me: de steen ligt precies op het noorden georiënteerd en aangezien hij een beetje afhelt ga je automatisch met je hoofd naar het zuiden liggen.

Als de misselijkheid wat zakt, verschijnt aan mijn linkerhand de Atlantische oceaan. Ooit was ik in Fisterra aan de Spaanse westkust. De naam is afgeleid van «het einde van de wereld». Daar ligt het meest westelijke punt van Europa, als je tenminste alleen het vaste land in ogenschouw neemt. Eigenlijk ligt het westelijkste punt in IJsland, maar het rotsige uitzicht zal daar niet veel anders zijn dan in Fisterra. Als ik een lijn vanaf mijn voeten doortrek, hervind ik mezelf op de Noordkaap, in het café met de grote panoramavensters. Achter mijn hoofd ligt de Middellandse Zee, geen flauw idee waar het zuidelijkste punt precies ligt, maar van het azuurblauwe uitzicht kan ik me moeiteloos een voorstelling maken.

Aan het centrum van Europa is een heus kunstwerk gewijd. Alleen ligt dat niet netjes op de heuveltop in het hart van het werelddeel, maar in een beeldenpark, twintig kilometer verderop. Het Monument van het Centrum van Europa, een kunstwerk van Ginataras Karosas, is een gestileerde windroos van vijftien meter doorsnede met in het centrum een kleine pyramide en op de cirkelrand granieten platen met de namen van de Europese hoofdsteden en hun afstand tot het centrum.

Ook dit monument toont de instabiele balans van Europa. Tussen de noordelijke en oostelijke windrichting ligt precies één hoofdstad: Moskou. In het tegenoverliggende kwadrant, het zuidwestelijke, verdringen zich maar liefst dertig van de 43 Europese hoofdsteden.

«Toen werd vastgesteld dat het geografische hart van Europa hier in Litouwen ligt, wilden we een culturele dimensie aan dat symbool geven», zegt de dertigjarige Karosas. «Maar op de eigenlijke locatie waren de eigendomsverhoudingen onduidelijk, bovendien golden er ecologische beperkingen. Hier konden we een terrein van 55 hectare krijgen, dat bovendien mooi bebost is. We konden meteen aan de slag. Mijn leven is te kort om bomen te planten.» Want Karosas wilde zich niet beperken tot één kunstwerk, hij droomde van een beeldenpark dat zijn weerga in de wereld niet kent.

Acht jaar geleden presenteerde hij zijn ambitieuze plannen — «De musea waren vermolmd, ze hadden alleen maar communistische staatskunst» — en inmiddels heeft zijn Beeldenmuseum van het Centrum van Europa een jaarlijks budget van tweehonderdduizend dollar. Er staan kunstwerken van vermaarde Amerikaanse kunstenaars als Sol Le Witt en Dennis Oppenheim. Het lijkt alsof het beeldenpark met een tijdmachine op het arme Litouwse platteland is geparachuteerd: conceptuele kunst te midden van velden die sinds de ineenstorting van de kolchozen weer met paard en wagen worden bewerkt. De landbouw is hier zo ver achterop geraakt dat mest geen probleem is. Integendeel, het wordt zorgvuldig met een riek verspreid om de bodem te verrijken.

Het kunstpark hoort bij de mondaine kant van Litouwen, die je verder bijna uitsluitend in de nabijgelegen hoofdstad Vilnius aantreft. Vilnius past goed bij het centrum van Europa. Het is een stad zoals Amerikanen een Europese stad graag zien: een middeleeuwse kern met kronkelende straten, veel paleizen en katholieke kerken — Vilnius is de belangrijkste barokstad buiten Italië — en een roerige geschiedenis: de stad behoorde toe aan Litouwen, Polen en Rusland. Het was bovendien altijd een kosmopolitische stad. In de negentiende eeuw was slechts iets meer dan twee procent van de bevolking Litouws. Veertig procent was toen joods, dertig procent Pools en twintig procent Russisch. Alle clichés over Europa vind je hier op een oppervlakte van anderhalve vierkante kilometer, inclusief elegante, langbenige vrouwen.

De toeristen hebben Vilnius bedekt met een gladde laag internationalisme, een vernis van moderne voorzieningen als de Ierse pub, het Thaise restaurant en natuurlijk een McDonald’s. Hier hoef je het niet te stellen zonder internetcafé dat 24 uur per dag open is — als lokale specialiteit staan er Latijnse en cyrillische lettertekens op het toetsenbord —, betaalautomaten op elke hoek en de keuze uit zeven soorten bronwater.

Geen slechte stad dus voor wie op zoek is naar zijn wortels, zoals horden Amerikanen hier doen. Want in 1939, toen de Sovjet-Unie het land bezette, vluchtten zowel joodse als Litouwse burgers in groten getale naar de Verenigde Staten. Tijdens de Koude Oorlog waren de Baltische sovjetrepublieken hermetisch afgegrendeld van de buitenwereld. Pas sinds 1991 kunnen ballingen en hun nazaten er weer in. Vilnius heeft de potentie om uit te groeien tot de favoriete stop-over voor Amerikanen die Europa in een weekend willen doen. Het geografisch centrum van Europa zou daarbij een handig marketing instrument kunnen zijn.

Maar ligt het centrum van Europa wel echt bij Vilnius? Het middelpunt is in 1989 vastgesteld door het Franse ICN, het Institut Géographique National. Na de val van de Muur berekende deze topografische dienst bij wijze van publiciteitsstunt het centrum van l'Europe de l'Atlantique à l'Ourol. Daarvoor gebruikten ze dezelfde methode als bij hun eerdere bepaling van de middelpunten van Frankrijk en van de Europese Unie: het werelddeel wordt opgevat als een egale landmassa waarvan het zwaartepunt wordt bepaald. Zo ongeveer als wanneer je een landkaart figuurzaagt uit dun triplex en vervolgens de plek zoekt waarop je dat triplex precies op een vinger kunt laten balanceren.

De Fransen maakten gebruik van de wereldatlas van Lapie père et fils uit 1829. Na wat kleine correcties — de Canarische en Griekse eilanden erbij, Nova Zembla en Malta eraf — begonnen ze te rekenen. Omdat de kaart waarmee ze werkten een schaal van één op twintig miljoen had, kan de nauwkeurigheid nooit groot zijn geweest. Ga maar na: één millimeter op de kaart is al twintig kilometer in het veld. Bovendien is de Oeral een bergketen met een breedte van honderd tot tweehonderd kilometer. Wie kon begin negentiende eeuw bepalen waar precies de grens van Europa liep?

De precisie die de Franse topografen pretenderen met hun uitkomst van 25 graden en 19 minuten oosterlengte kan dus niet kloppen, want een geografische minuut is 1,85 kilometer lang en dat is dus minstens tien keer nauwkeuriger dan de foutmarge uit de gebruikte atlas. Maar ja, dertig kilometer naar het oosten en het middelpunt van Europa zou in Rusland liggen, en dat kon de bedoeling van de Fransen niet zijn. De Koude Oorlog lag nog vers in het geheugen, en bovendien schreef hun landgenoot Astolphe Marquis de Custine al in 1839 over Rusland: «Tussen Frankrijk en Rusland staat een Chinese muur: de taal en het karakter van de Slaven.

De pretenties waartoe Peter de Grote de Russen heeft aangezet ten spijt, begint Siberië bij de Weichsel.» Litouwen heeft dus nog geluk gehad met zijn uitverkiezing tot middelpunt van Europa.