SPORT

Cera

We kijken naar de tv en zien een wielrenner in een witte trui met rode stippen tegen een berg op rijden alsof hij vliegt. Het is Bernhard Kohl, een Oostenrijker van 26, een gewone man. Een soort Joe the Plumber maar dan Bernhard de Behanger. Hij heeft een naïef kindergezicht met blozende wangen.
En fietsen dat-ie kan! Alsof de anderen er niet zijn, zo vliegt hij tegen de col op. Alsof hij op een vlakke weg rijdt, zo bedwingt hij het tien procent stijgende asfalt in het gebergte. ‘Waar haalt hij het vandaan!’ juicht de commentator met een uitroep- en geen vraagteken – en wij juichen met hem mee: ‘Waar haalt hij het vandaan!’ Het is geen vraag omdat er geen antwoord hoeft te komen. Het is een uitroep van bewondering.
Bernhard Kohl is de ontdekking van de Tour de France 2008. Hij wordt derde in het eindklassement en verovert de bergtrui, wit met rode stippen. Kohl is een held en een groot talent van wie we nog veel zullen horen, van wie we nog veel plezier gaan beleven. We kijken tv en ja, we genieten van jewelste.
Een paar maanden later blijkt dat het toch een vraagteken had moeten zijn. ‘Waar haalt hij het vandaan?’ hadden we moeten vragen, want er blijkt een antwoord te zijn. Kohl haalde het uit een spuit, of een infuus, of een zakje of een pilletje. Doping. Cera heet het, een nieuwe epo-variant, die wielrenners enorm goed kan doen presteren en die dus verboden is.
Daar zitten we dan en we kijken televisie en zien Bernard Kohl met die kinderwangen snikkend opbiechten dat hij Cera heeft gebruikt voor die majestueuze ritten van hem, die prestaties waar wij zo om zaten te juichen en te gloeien van opwinding en te trillen van het sport-kijk-adrenaline-gevoel. Een intense ervaring was het, voor ons. Kun je nagaan wat het voor hem was, Bernhard de Behanger.
Je stijgt boven jezelf uit, je stijgt uit jezelf, je vergeet wie je bent en waar je bent en dat je onderhevig bent aan de zwaartekracht en beperkt door je menselijke grenzen – je vergeet de ellende om je heen, je vergeet dat je geen winnaar bent, je vergeet alle verschrikkelijkheden die op je wachten – de vakantiefoto’s nog inplakken, verjaardag van de zus van de schoonbroer van je oom, borrel bij de buren, kattenbak, stofzuigen – je presteert boven verwachting, je voelt je goed, je bent in een roes, alles wordt alleen maar beter – wat gebeurt er? Wat je niet durfde hopen wordt werkelijkheid: winst.
Kijken naar wielrennen is als wielrennen met doping in het lichaam. Je weet dat het niet klopt, maar je doet het toch. Je gelooft erin, of doet net alsof je erin gelooft. Laat het echt zijn, al is het maar voor even. De roes van de overwinning, weegt die op tegen het knagen van het geweten, het schuren van het schuldgevoel en de striemende schaamte die straks zullen volgen? Want het houdt een keer op, zoals elke roes. Dan komen de voeten, die nu zo licht op de pedalen dansend over enorme cols schieten, weer op de grond, dan daalt het lichaam neer op aarde, waar het thuishoort, nadat het zo lang heeft gezweefd, dichter bij de hemel dan bij de modder op de wereld.
De sportliefhebber en zijn suspension of disbelief. ‘Je sais bien, mais quand-même…’ Ik weet wel, maar toch… De noodzakelijke voorwaarde voor fictie: ik weet best dat het niet echt, reëel is wat ik zie, maar toch geloof ik het en ga ik erin mee. Voor even. We zetten ons ongeloof aan de kant, tijdelijk, om de fictie te kunnen beleven.
Sport is fictie. Kijken naar, bijvoorbeeld, wielrennen vereist serieuze suspension of disbelief. Wat je ziet is niet echt, reëel, waar of authentiek. Het is bedacht, gemaakt, geconstrueerd, gefabriceerd. Namaak. We worden voor de gek gehouden. En dat weten we.
We komen allemaal weer terug in de aardse modder. De winnende-sporter-in-een-roes, die alles op het spel zet. Die de minuten, uren misschien, van zelfvertrouwen, overtuiging, kracht, respect en eigenwaarde laat opwegen tegen de kater van Erna, de ontmaskering, de deconfiture.
En ook de kijker, wij, die in een roes ‘onze’ Bernhard hebben zien schitteren, komen weer terug in de gewone mensenwereld. Daar zitten we, leeggelopen, snotterend als Kohl, en we leveren onze medaille in. We gaan weer terug naar Niemandsland, waar we woonden voordat we ons ongeloof aan de kant zetten, voor even, om onszelf ervan te overtuigen dat het echt bestaat: winnen. Succes. Roem. Geluk. Want dat was fijn.
‘Que cera cera’, zingen we en we voelen ons leeg. We gaan de vakantiefoto’s inplakken, toch maar naar de borrel bij de buren. Dan stofzuigen. En de kattenbak niet vergeten.